vrijdag 12 oktober 2012

Ambities


Er is maar één ambitie die ik bezit, één droom die ik ambieer.

Ik wil het antwoord worden op een vraag in de Canvascrack.

Daar hoef je niet bekend voor te zijn.

donderdag 9 juni 2011

Evolutie

Het beest kruipt omhoog, de dagen beginnen
met poten, met klauwen, op krassende stenen
kerft hij de tijd.
Plassen in tranen, in bloed en organen
toon ons waar heden het leven leidt.
We hebben nog steeds
dat heel eind te schrijven.
Het beest weet niet eens meer waar hij nog staat.

vrijdag 20 mei 2011

Zorgen

Iedereen heeft een eigen manier van werken. Iedereen. Als er een taak te schrijven valt, zal de één er meteen invliegen terwijl een ander maar traag op gang komt, nog iemand anders zal alles uitstellen tot op het laatste moment. Ik hoor bij die laatste groep.

Niet dat dat speciaal is. Nee, we zijn met veel, wij procrastinaten. We houden ons niet meteen bezig met die opdrachten. Nee, we verleiden onszelf liever met minder verplichte en dus leukere activiteiten, zoals naar een filmpje kijken, patience spelen of gewoon een goed uurtje slapen.
Maar waarom maken we het ons allemaal zo verschrikkelijk moeilijk? Elke keer opnieuw moet ik toegeven dat ik beter wat vroeger was begonnen, en elke keer opnieuw beloof ik mijzelf tijdens het schrijven dat ik alles volgende keer niet meer zo zal uitstellen, en elke keer opnieuw weet ik zelf goed genoeg dat die plannen al even geloofwaardig zijn als het gemiddelde voornemen op Nieuwjaar.

Hoe het komt dat de meeste mensen in deze vicieuze cirkel vast blijven zitten, weet ik niet. Het is gemakkelijk die mensen als lui te bestempelen, maar voor mij gaat het zeker om meer dan dat. Voor mij gaat het om opvoeding. Ik voed mezelf verkeerd op.

Het gaat er bij mij om hoeveel zorgen ik mij maak voor een taak. Hoe groter de taak, hoe meer zorgen, dat is logisch. Maar ik ben iemand die zich eigenlijk nauwelijks zorgen maakt. Zelfs als ik inschat hoeveel tijd ik zou nodig hebben om bijvoorbeeld een essay te herschrijven, en ik dan nog net die tijd heb vóór de deadline, maak ik me nog niet genoeg zorgen om er aan te beginnen.
Nee, ik lieg mezelf voor dat ik de volgende dag veel beter zal werken, als ik mij vandaag eens lekker ontspan. Of dat ik in de namiddag sowieso actiever ben. Of dat ik wel nog vijf minuutjes gitaar kan spelen. En voor ik het goed weet, is het avond en ga ik met een vrij gerust gemoed slapen. Ik lig er niet van wakker, want ik weet zeker dat het morgen wél lukt.

Pas als de deadline echt gevaarlijk dicht in de buurt komt, word ik ongerust. Dan begin ik te panikeren, slaap ik bijna niet en durf ik overdag niet meer te pauzeren. Dan schrijf ik en schrijf ik en ben ik net op tijd klaar - en hier zit het probleem. Mijn werk is dan nooit perfect, maar toch goed voor de tijd die ik er uiteindelijk heb ingestopt. Ik ben op een vreemde manier tevreden met iets wat eigenlijk beter had kunnen zijn. In plaats van het mij te beklagen dat ik er niet meer tijd in had gestopt, voel ik een misplaatste trots. Trots over die korte tijdsspanne waarin ik wel degelijk productief ben geweest, en het is díe trots die mijn voornemen doet instorten.
Ik denk: "Heb ik mij daar zo'n zorgen om gemaakt?"

Wat heb ik dan geleerd?
Geen zorgen maken. Je kan het ook op het laatste moment. Het lukt. Je hoeft je niet meteen met dat essay bezig te houden. Lees een boek. Lees een strip. Schrijf een blogbericht. Je kan altijd om vijf uur beginnen.

Als u mij geen sukkel noemt, doe ik het zelf.

zondag 24 april 2011

Dit is mijn blog

Of: dit is mijn blog als ik te druk bezig ben met mijn eindwerk.

zondag 27 februari 2011

EVA

Donderdag is mijn veggiedag, dan eet ik vegetarisch. Waarom? Iets met het milieu, iets met dieren, duurzaamheid; u kent de clichés. Het is die neo-hippie in mij.

De andere zes dagen ben ik volop vleeseter. Maar dan ook echt een vleeseter: elke week een pitta (meestal meer, maar stil: moeder leest mee), per maaltijd minstens anderhalf biefstuk, en als er thuis een halve kilo gehakt in de keuken ligt, kan die bol zijn oorspronkelijke grootte niet erg lang behouden. Kortom, ik ben een veel grotere fan van een vlezeke dan van pakweg pastinaak.

Maar donderdag? Donderdag eet ik volmaakt vegetarisch. En dat hou ik - tot mijn eigen verbazing en trots - toch al anderhalf jaar vol. Geen vlees, geen vis, zelfs geen snoepjes met gelatine.

Waarom categoriseer ik dit dan onder 'Ergernis'?

Wel, de vzw die Donderdag Veggiedag lanceerde, is de vzw EVA, een organisatie die zich belangeloos inzet om het brede publiek te informeren over (en aan te zetten tot) vegetarisch eten. Mooi, mooi.

Maar waarom EVA?
Eva staat voor Ethisch Vegetarisch Alternatief.
Een ethisch verantwoorde vzw, dus. Van vegetariërs. Die vegetarisme als alternatief aanbieden.

Het is eenvoudig de woorden 'ethisch' en 'alternatief' te begrijpen. Vegetarisme is inderdaad een alternatief op het eten van vlees, en je kan het enigszins ethisch noemen - maar dan noem je het eten van vlees wel niet-ethisch. Als je dat doet, dan ben je al wat agressiever bezig dan wanneer je simpelweg een alternatief biedt. Door niet-vegetariërs als niet-ethisch te bestempelen, maak je een duidelijke lijn tussen Goed en Kwaad, tussen wat kan en wat niet.
Ik neem aan dat dat de bedoeling van EVA is. Het zijn geen geitenwollensokkentypes, maar echte groene strijders aan de juiste kant van de scheiding, bereid om meer te doen dan alleen maar hopen op een betere en meer rechtvaardige wereld. Bereid om hun hebben en houden op te geven om een varkentje van het slachthuis te redden. Bereid om de wereld te verkondigen dat die fout zit, terwijl zijzelf het bij het juiste eind hebben.
Als het dat is wat de vzw EVA beoogt, geen enkel probleem. Laat ze maar doen.

Wat mij het meeste stoort is de onverholen debiliteit van die naam. Ethisch Vegetarisch Alternatief. Vegetarisme zien de oprichters inderdaad als een ethisch alternatief, maar dan doop je je organisatie toch gewoon 'Vegetarisme: een ethisch alternatief'?
Wat er volgens mij is gebeurd, daar in één of ander duister lokaaltje aan de UGent, is een bijeenkomst van enkele suffe studentjes die een vzw wilden oprichten, maar geen goede naam konden verzinnen. Het móest goed bekken, het móest een acroniem worden, het móest staan waar de vzw voor ging staan. Wat het niet moest zijn, was 'doordacht'.
Dus beginnen de onervaren pummels te brainstormen, en komen ze op enkele woorden waar ze wel wat voor voelen. En in plaats van dan één geheel te vormen met een rake betekenis, opteerden ze blijkbaar maar voor enkele losse adjectieven - die elk op zich inderdaad wel iets duidelijk maken, maar die als samenkwaksel elkaar inhoudelijk overlappen dat het niet mooi meer is.

Komaan, zeg.
Bestaat dat eigenlijk wel, een groene intellectueel?

dinsdag 15 februari 2011

Mono-cultuur

Je hoeft maar even door het centrum te lopen van gelijk welke stad en je komt ze tegen: straatmuzikanten. Gewapend met gitaar, accordeon of een of ander exotisch instrument staan ze aan de hoek van de winkelstraat, spelend voor u en voor mij. Niet dat we om hun kunsten hebben gevraagd, maar aangezien we verdraagzame en gemoedelijke mensen zijn – én omdat het meestal wel aangenaam om horen is – staan we hen toe om ons winkelen te voorzien van een begeleidend deuntje. Op de tonen van “Yesterday”, “Les Filles du Bord du Mer” of een nummer dat we helemaal niet kennen, inspecteren we de nieuwste mode, profiteren we van de beste kortingen of genieten we simpelweg van de zon op een terrasje.

Fijn.

Echt, ik meen het: fijn.

Wie deze moderne minnezangers niet weet te appreciëren, is intolerant en kan maar beter binnen blijven, waar platen, CD’s en mp3-files de plak zwaaien. Nee, wij hebben het reeds lang geleden aanvaard: een muziekje buiten maakt het leven draaglijker.

Ze zijn ook niet duur. Bij tijd en wijle eens een centje schenken als het schuldgevoel te hoog opspeelt, is al meer dan genoeg voor de enthousiaste muzikant. Hij blijft spelen. En geef toe: wie kan bij zo’n prijs nog klagen over de kwaliteit van het spel ? Je krijgt er gratis het gevoel van samenhorigheid bij; iedereen luistert naar dezelfde muziek.
Weg met de iPod, mp3-speler of polyfone GSM: straatmuziek wordt vanzelf gedeeld.

Maar wordt het niet te veel als we dag in dag uit overeenkomstige deuntjes horen ? Elke dag eenzelfde melodietje door telkens dezelfde man ? Wie elke dag doorheen dezelfde straten wandelt, zal ook elke dag dezelfde muziek horen. De eerste keer klinkt het aanvaardbaar tot zelfs innemend, maar een dag later ken je het nummertje al. Na een week ben je die toch ietwat vreemde versie van de “Lambada” grondig beu. En wat moet je beginnen tegen “Knockin’ on Heaven’s Door” als het gespeeld wordt door een muzikant wiens motto ‘al doende leert men’ lijkt te zijn ? Juist ja, de koptelefoon opzetten. Weg samenhorigheid.

Ik geef toe: het is een beetje klagen. Zelfs als ze met te veel zijn of telkens terug te vinden zijn op dezelfde plaats doen ze geen vlieg kwaad, die straatmuzikanten. Maar wat met toeristen ? Stel u een toerist voor die speciaal vanuit Japan naar België komt gevlogen om (onder andere, laten we voor zijn portemonnee hopen) eens te horen naar welke muziek de Belgen luisteren, wat nu ‘typisch Belgisch’ is – als zoiets met al dat geWever nog bestaat.
Hoe Belgisch zal zijn beeld van onze cultuur dan nog zijn ? Gaat hij naar huis om aan zijn omgeving te vertellen hoe goed de Belg mondharmonica kan spelen ? Hoe graag die naar The Pointer Sisters luistert ?

Waarschijnlijk niet: de kans is vrij groot dat de Japanse toerist zich genoeg bewust is van het fenomeen – hij heeft het over de hele wereld al gezien. Hij weet hoe de verschillende plaatsen in de wereld langzaamaan op elkaar beginnen te lijken. Misschien stelt het hem wel gerust overal Bob Dylan te horen, overal dezelfde TV-programma's te zien en overal Coca Cola te kunnen drinken. Lang leve het langzaam onzichtbaar worden van de eigen cultuur, dus.
Gelukkig is er nog ‘Manneken Pis’, of de Japanner is voor niets naar hier gekomen.

dinsdag 25 januari 2011

Granny plays footy

???







Als er iemand is die mij dit kan uitleggen: ik hou u niet tegen.
Red mij van mijn verbijstering.

zaterdag 15 januari 2011

Life in The Street

Beeld je eens in: het is een lange, regenachtige dag geweest, en je wandelt naar huis. Je voelt nattigheid, het motregent, en hoewel je geënerveerd bent door het slechte weer weet je dat je binnen korte tijd terug thuis zal zijn, veilig in je warme zetel met een frisse pint in de hand. Maar op je weg ligt een plas, een grote plas. Een immense plas regenwater. Je kan er niet omheen lopen, je moet er door.

Even bijt je op je tanden, je denkt: 'Thuis gaan mijn schoenen uit, spring ik in mijn droge pyjamabroek; nu nog even doorzetten' En je stapt vol goede moed door de plas.
Al bij de eerste stap worden je kousen langzaam nat; de koude kruipt over je tenen; de onderkant van je broekspijp wordt zwaar, lijkt je schuchter naar beneden te willen trekken. Je humeur wordt er niet beter op.

En net op het moment dat je denkt: 'Nog één stap en ik ben er, nog één stap en ik ben uit die koude, natte plas', net op dát moment voel je de grond onder je voeten wegzakken, merk je dat de plas dieper is dan je denkt, en duikel je met je gezicht vooruit kopje-onder het kille water in. Hoe je ook om je heen krabbelt, je vindt geen houvast meer; je verzuipt.

Dit is ongeveer hetzelfde gevoel dat de personages in de Britse televisieserie 'The Street' krijgen, wanneer zij geconfronteerd worden met gebeurtenissen die hun leven veranderen.
Korte uitleg: 'The Street' gaat over de bewoners van een kleine straat in Manchester, en elke aflevering vertelt het verhaal van één familie in één huis. Als ik hier zou neerschrijven wat er alleen al in de eerste drie afleveringen gebeurt, zou ik niemand overtuigen. Een korte samenvatting van de serie klinkt al snel als de eerste de beste aflevering uit een soapserie. Het kost enig engagement van de kijker om te geloven dat zoveel ellende in één straat terug te vinden is, maar gelukkig zorgt de manier van vertellen er voor dat je daar niet te lang bij stilstaat.

Elke aflevering begint met een normaal personage, in een normaal gezin. Niemand zit al op voorhand in de problemen; het gaat hier om normale mensen zoals u en ik. Alleen spreken ze een andere taal en drinken ze - wat had u anders verwacht in Groot-Brittannië - lager.
Maar dan gebeurt er iets: een onbelangrijk ogend misverstand, het ontslag van een net-niet-gepensioneerde, een verkeersongeluk... De personages voelen de motregen, halen hun paraplu's boven, hopen binnen te zijn nog vóór de storm losbarst, maar dan komt de nattigheid van een volledig andere kant. Voor ze het weten, zijn ze ondergedompeld in de grootste rampspoed die een mens maar kan overkomen; en hoe hard ze ook spartelen en draaien, ze komen er niet uit.

Als kijker zit je constant op het puntje van je stoel: je leeft mee met élk personage, op élk moment. Als dan na een uur de aftiteling over het scherm rolt, voel je je exact hoe de scenarist je wilde laten voelen - gelukkig, somber, benard, simpelweg kapot...
Het is niet mogelijk om dan meteen een volgende aflevering te bekijken, zoals je soms bij andere uitstekende series wel doet. 'The Street' moet je laten bezinken, je moet het laten zakken.

Deze baksteen op je maag moet je laten verteren. Dan pas ben je klaar voor de volgende laag.

zaterdag 1 januari 2011

Nieuwjaarshaiku

Vlokken dwarrelen
Langzaam wordt de aarde nat
Het nieuwe jaar groeit

donderdag 9 december 2010

Dagscène


Een lichte rookring verhult het schilderij, de figuren herinneren onbeschaamd het verhaal van Casanova, de ontrouwe. Het grote witte bed onder die verleidingsscène is al opgemaakt na de daad, de vulgaire plooien gladgestreken. Niemand die nog kan zien wat in deze hotelkamer is gebeurd, en hijzelf is al klaar om opnieuw te vergeten.
Daar zit hij, terug aangekleed, schoenen aan, hemd nog niet helemaal dichtgeknoopt - alsof hij nog even wil nagenieten. Een brokje as valt van zijn sigaret op het deken, schroeit een minuscuul gaatje in de witte stof. Hij veegt, achteloos, neemt nog een trek.

Zij kleedt zich aan en weet dat hij weer weg zal gaan, tot ze elkaar opnieuw ontmoeten in die ene witte kamer. Straks gaat hij zonder haar terug naar zijn gezin.
Snel, zonder hem tijd te geven te protesteren, trekt ze nog een foto.
"Zodat ik je ook thuis kan herinneren", fluistert ze.

vrijdag 26 november 2010

Ancient Americans

Et voila: typisch Amerika. Waarom moeten ze nog discussiëren over zo'n wanbeslissing? Zoiets zie ik Europeanen niet meer doen: wij leren tenminste van onze fouten.
Enfin, onze fouten... Die van de Oude Grieken, uiteraard.


donderdag 11 november 2010

De macht van blanke mannen (laatste deel)

[Vervolgt]

‘Wat gebeurt hier?'
Charlie was intussen van zijn boot gekomen en had het gebeuren benaderd. Kwilu antwoordde met duidelijke stem :
‘Lukena wil de heilige boom Kintaki versnijden, terwijl de boom hem net wilde straffen voor een slechte oogst.’
‘Een slechte oogst krijg je door niet goed te werken.’
‘Wij proberen hard te werken, meneer Charlie, maar de natuurgoden...’
Eén van de dorpelingen maakte zich kwaad, hief een stevige stok in de lucht.
‘Meneer Charlie heeft met de plantage niets te maken, hij kan ons niets doen !’

Er was wat gemorrel in de groep; dit was waar iedereen al een tijd aan had gedacht. Hoewel Charlie duidelijk een blanke man was, had hij maar weinig te maken met de blanken uit het huis van de eigenaar of met de blanken op de boten. Het hele dorp had met ontzag naar Charlie gekeken, zoals ze met ontzag naar de andere blanken hadden gekeken. Maar nu bleek dat Charlie één van hen als gelijke beschouwde, konden zij ook niets anders dan hem als hun gelijke zien. En deze gelijke man trok partij voor Lukena, die de natuurkrachten wilde uitdagen om een kano te maken.
Langzaam maar zeker begon de groep Charlie en Lukena meer en meer te omsingelen.
Charlie had al snel begrepen wat de dorpelingen van plan waren, en zocht naar een uitweg. Het huis van de plantage-eigenaar was onbereikbaar, de dorpelingen stonden in de weg. Op de boot zouden ze veilig zitten, maar de oever lag nog ver weg. Wie weet trouwens hoe ver op de stroom de kleine hoeveelheid steenkool hen maar zou brengen ?
Bundu had zich ondertussen de hele tijd afzijdig gehouden. Aan de ene kant had Lukena de goden wel beledigd, en zo het hele dorp in gevaar gebracht, aan de andere kant bleef hij wel een dorpeling, een buur, een vriend. Bundu ging niet akkoord met de manier waarop de hele groep omging met het verraad van Lukena. Daarenboven leek het erop dat Charlie ook ging aangevallen worden, en dat kon voor iedereen verstrekkende gevolgen hebben. Het is toch niet omdat hij niets met de plantage te maken heeft dat hij als blanke geen macht heeft ?
Als de dorpelingen Charlie zouden aanvallen of zelfs vermoorden, zouden de blanken in het grote huis het hele dorp ongetwijfeld bestraffen. Handen zouden worden afgehakt, nog meer vrouwen en kinderen zouden worden vermoord. Bundu was het zeker: de aanval op Lukena en Charlie moest worden gestopt.

Ondertussen waren Lukena en Charlie al een eind achteruit geweken. Hoe meer de dorpelingen de twee mannen probeerden in te sluiten, hoe verder deze in de richting van de boot stapten. Lukena had het erg moeilijk met zijn knie, en zwaaide af en toe met zijn machete als de dorpbewoners te dicht in zijn buurt kwamen.

Opeens kwam een luid geroep van aan de andere kant van het dorp, aan het grote huis van de plantage-eigenaar. Lukena zag Bundu aan de ingang staan, samen met drie blanke mannen en de eigenaar. De drie mannen hadden elk een geweer vast, waarvan het hele dorp goed wist waarvoor het diende. Lukena begreep niet goed wat Bundu daar deed; daar mochten zij als gewone dorpelingen niet komen.
De eigenaar en de andere drie blanke mannen kwamen naar het dorp gestapt, riepen iets onverstaanbaars. Bundu volgde achteraan.

De dorpelingen begrepen niet waarom de blanken zo kwaad naar hen toe kwamen gestapt, en voelden een zeer diepe angst. De oogst moest niet geteld worden, dus wat kwamen de blanken doen ? Dat zij nu zelfs hun geweren bij zich hadden, betekende niet veel goeds.
Eén voor één lieten de dorpelingen hun stokken, stenen en machetes op de grond vallen. Allen troepten ze bijeen en keken ze vol angst naar de blanken, geen van hen lette nog op Charlie en Lukena. Charlie zag zijn kans, en ondersteunde de hinkende Lukena richting de boot.

Toen ze net aan de boot waren aangekomen, klonk achter hen een schot. Geschrokken draaiden ze hun hoofden naar het dorpsplein, waar ze elke man, elke vrouw, elk kind vol ontzag naar een punt in het midden van de groep zagen kijken. Er volgde nog een schot. En nog een. Enkele dorpelingen vielen levenloos neer in het mulle zand.

Het moet een vreemde aanblik geweest zijn, de stilstaande dorpelingen die één voor één werden neergeschoten. Bundu heeft mij nooit precies kunnen vertellen waarom niemand zich toen heeft verzet, of waarom de eigenaar van de plantage het hele dorp heeft laten uitmoorden. Misschien wonnen ze op de plantage nooit genoeg rubber. Misschien was de eigenaar alle problemen met de dorpelingen beu. Misschien was de eigenaar gewoonweg gek geworden.
Het enige wat Bundu mij nog wist te vertellen was hoe hij bij het eerste schot naar de boot was gevlucht, hoe hij Charlie en Lukena had gevraagd hem mee te nemen, en hoe ze het laatste beetje steenkool in de oven hadden geschept in de hoop ver genoeg te kunnen ontsnappen. Toen er eindelijk beweging kwam in het schoepenrad en de stoomboot van de oever loskwam, stonden enkele hutjes al in brand. Op het moment dat de boot voorbij de eerste rivierbocht was gevaren hing er een enorme rookpluim over de Congo.

Wat er precies gebeurd is met de blanken uit het grote huis aan de plantage, is niet geweten, maar toen Charlie, Lukena en Bundu gevonden werden door de boot die steenkool kwam leveren, was er bij de bemanning niemand die van hun verhaal op keek. Zulke verhalen komen zo veel voor in de Vrijstaat.

Als Charlie niet had gezegd dat hij Lukena en Bundu zou kunnen gebruiken op zijn zoektocht naar de ivoorhandelaar, zouden de twee zijn meegenomen naar een andere rubberplantage. Dan hadden ze hetzelfde misschien opnieuw meegemaakt. Dan had ik Bundu nooit ontmoet. En dan was dit misschien één van de vele nooit aanhoorde verhalen uit de Vrijstaat gebleven.

vrijdag 5 november 2010

De macht van blanke mannen (tweede deel)

[Vervolgt]

Charlie was even vriendelijk als anders en had al een bed gesteld voor Lukena, waar Lukena al snel op ging zitten. Er hing even een stilte in de lucht, terwijl Charlie een conservenblik opende en de inhoud op twee borden goot. Lukena keek vanaf het bed toe en bleef zelfs zitten toen Charlie hem een bord toeschoof over de kist. Pas wanneer Charlie hem vertelde dat hij mocht eten, nam Lukena het bord op zijn schoot.

Zoals ik al had gezegd, weet ik over het hele verhaal alleen wat Bundu mij heeft verteld. Waarover Charlie en Lukena die avond hebben gepraat, wist hij mij alleen te vertellen via Lukena, toen die hem enkele weken later op de boot zijn versie van het verhaal deed. Wat zeker is, is dat Charlie toen met horten en stoten – hij was de taal niet helemaal machtig – aan Lukena vertelde waarom hij al een week aangemeerd lag aan de oever. Hoe hij van de Brusselse handelsonderneming waar hij voor werkte de opdracht had gekregen op zoek te gaan naar die geheimzinnige maar succesvolle ivoorhandelaar. Hoe hij al een week aan het wachten was op steenkool, om verder te trekken. Hoe het hem stoorde steeds te moeten wachten op dingen die niet kwamen, hoe moeilijk het was om te werken.
Lukena at en luisterde. Het moet die avond geweest zijn dat hij overtuigd raakte van wat de natuurgoden van hem verwachtten. Hij moest Charlie helpen de ivoorhandelaar op te sporen, hij moest ervoor zorgen dat Charlie de Congo kon opvaren. Niet dat hij Charlie daarover inlichtte; Lukena ging ervan uit dat het voor Charlie al logisch was dat hij ging geholpen worden. Waarom zou hij anders iemand uit het dorp op zijn boot hebben uitgenodigd ?

De hele volgende dag op de plantage bedacht Lukena wat hij zou kunnen doen, maar pas toen hij ’s avonds de gevallen Kintaki passeerde, kreeg hij een idee. Hij zou voor Charlie een boot maken. Hoe kon hij ook anders ? De boom was op zijn huis gevallen, was lang genoeg voor een grote, stevige kano, en Charlie had hem nu zelfs onderdak gegeven op zijn stoomboot. De tekens waren bijna niet mis te verstaan, de wil van de goden was duidelijk.

Toen Lukena de dag daarop een machete van de plantage haalde, keken de dorpelingen toch even op. Nog steeds durfde niemand hem aan te spreken, hoewel ze zich toch afvroegen wat de blanke plantage-eigenaar ervan zou denken dat Lukena materiaal leende. Het was Bundu die het werk even staakte om te gaan kijken wat Lukena van plan was.

Terug in het dorp aangekomen begon Lukena de eerste takken van de heilige boom af te hakken.
‘Wat ben je aan het doen ?’, riep Bundu met hese stem. ‘Dat is Kintaki !’
Lukena keek even op naar Bundu, maar hakte met een grote glimlach al snel verder.
‘De natuurgoden willen dat ik een boot maak voor meneer Charlie, hij moet de Congo op.’
‘Je werkte niet genoeg op de plantage, de goden hebben je gestraft. Blijf van Kintaki.’
Bundu klonk aarzelend, hij zou uit zichzelf nooit denken dat de goden iets van Lukena zouden verwachten. Het feit dat Lukena dat nu leek te denken deed Bundu twijfelen. Lukena hakte nog enkele takken af.
‘Ik maak een kano voor meneer Charlie.’

Bundu keerde vertwijfeld terug naar de plantage, waar de andere dorpelingen hem vragend stonden op te wachten. Toen Bundu had uitgelegd wat Lukena van plan was, reageerden ze allemaal geschokt. Lukena was door de goden gestraft geweest, en in plaats van zich beter in te zetten op de rubberplantage verminkte hij hun heilige boom. Hoe zouden de natuurkrachten daarop reageren ? Wat Lukena deed was gevaarlijk voor iedereen in het dorp: het hele bos zou als vergelding op hun hutten kunnen vallen. Wie dacht Lukena wel niet dat hij was ?

In hun ogen ging Lukena zelfs met de blanken respectloos om. Geen enkele gewone dorpeling zou het ooit in zijn hoofd hebben gehaald te overnachten bij een blanke man; alleen al in het huis of op de boot binnentreden was ongeoorloofd.
Een tijd geleden was de zoon van de plantage-eigenaar op bezoek bij zijn vader, en toen werd bevolen dat Monana, een jong meisje uit het dorp, in het grote huis van de eigenaar zou worden gebracht. Ze wist niet goed waarom, en was dan ook doodsbang toen de zoon van de eigenaar haar naar het huis leidde. De dorpelingen hebben haar sinds die dag niet meer teruggezien. Alleen Kwilu leek het huis binnen te kunnen gaan – op uitnodiging – en veilig terug te kunnen keren. Maar hij mocht ook nooit vertellen waarover werd gesproken of wat hij had gezien.
Lukena daarentegen was nu wel veilig en wel teruggekeerd vanuit de slaapplaats van één van de blanken. Hoewel niemand het luidop zei, dachten alle dorpelingen het hiermee bewezen dat Charlie een minder goddelijke en dus minder gevaarlijke blanke was dan de mannen van de plantage. Toch betekende dit niet dat Lukena ongestraft bij iemand met een hogere status kon inwonen, op het moment dat de goden hem wilden straffen.

Ondertussen was Lukena al bezig met het afschrapen van de schors, toen hij de menigte vanuit de plantage op hem af zag komen. Hoe dichterbij ze kwamen, hoe meer dorpelingen te zien waren met zware stokken en machetes, wat Lukena toch een beetje angst inboezemde. Hij stopte met zijn werk en rechtte zich. Kwilu, het dorpshoofd, was de eerste die tot hem sprak.
‘Waarom kom je aan onze heilige Kintaki ?’
‘Omdat de goden mij hebben opgedragen een kano te maken voor meneer Charlie.’
‘De blanken hebben ons opgedragen voor meer rubber te zorgen, we moeten werken. Dat is ook wat de goden willen.’
Charlie was intussen op het dek van zijn boot gaan staan, bekeek het gebeuren vanop een afstand. Hij hoorde het rumoer, maar zag alleen Lukena. Het kon niet anders of een aantal dorpelingen – of was het iedereen ? – stond aan de andere kant van de boom. Het was hem niet al te duidelijk waarover de discussie ging, of waar Lukena nu mee bezig was, zittend op de lange boom. Af en toe kon hij een deel van een zin opvangen, maar zijn kennis van de lokale taal was niet goed genoeg om die flarden te begrijpen. Wat hij wel uit de situatie kon opmaken, was dat de dorpelingen zich om één of andere reden kwaad maakten op Lukena. Maar dat was niet iets waar hij zich mee te moeien had. De dorpelingen konden zich soms druk maken over de kleinste onbenulligheden, zo leek het Charlie wel.
Het was pas op het moment dat een stok van één van de dorpelingen het hoofd van Lukena op een haartje na miste dat Charlie de ernst van de onvrede begreep.

Lukena had de stok net kunnen ontwijken, maar viel wel van de boom af. Gelukkig voor hem kwam hij aan de andere kant van de boom neer dan waar de dorpelingen stonden.
Een steen plofte net naast hem in het zand, en aan de andere kant van de enorme boomstam hoorde hij Bundu's pogingen iedereen tot bedaren te brengen. Het maakte geen verschil uit: de menigte gooide stenen over de heilige boom naar Lukena, die op zijn been werd geraakt. Hij schreeuwde het uit van de pijn.
Met de machete geheven richtte hij zich op, klaar om de groep dorpelingen die om de boom heen kwamen gelopen tegen te houden. Hoe konden zij hem zo aanvallen? Zagen zij niet in dat het zijn opdracht was een boot te maken van de heilige Kintaki ? Een volgende steen raakte Lukena op zijn knie. Kermend van pijn haalde hij uit met zijn machete, de menigte deinsde achteruit.

[Vervolg]

maandag 25 oktober 2010

De macht van blanke mannen (eerste deel)

Het was naar men zegt al flink heet geweest die zomer van 1890, toen op een avond de heilige boom Kintaki neerstortte op de hut van Lukena. De man zelf was gelukkig niet geraakt, maar zijn woning lag compleet in puin.
Ik kan alleen maar vertellen wat ik van Bundu heb gehoord, ik was er zelf niet bij, maar het hele dorp zou op een paar tellen buiten hebben gestaan, verbijsterd starend naar het gevaarte.
Hun meest heilige boom lag daar, de bovenkant in het midden van het dorp tussen de brokstukken en het riet, de onderkant net aan de rand van het bos waar hij al die jaren trots had gestaan. Lukena zelf wist ook al niet wat hij kon zeggen. Wat moest de arme man voelen bij deze nieuwe, uitzichtloze situatie ? Het hele dorp had het een beetje moeilijk de gebeurtenis te plaatsen, maar ze hadden geleerd zich geen vragen te stellen bij de wil van de natuur.

Enkele weken terug waren de dorpelingen afgestraft geweest door de blanke mannen, omdat het dorp niet genoeg rubber had geleverd. Waarom zij opeens rubber moesten telen hadden ze nooit begrepen, maar het was duidelijk dat de dorpelingen naar de blanke mannen moesten luisteren, of ze zouden worden getuchtigd. De ene maand werden ze geranseld, de andere maand werd hier en daar een hand afgehakt. De vorige keer werden enkele vrouwen en kinderen vermoord, zodat hun mannen en vaders wat beter zouden presteren. Daar werden geen vragen bij gesteld. De blanken waren goden.
Daarom net dat de dorpelingen zich ook geen vragen stelden bij de gevallen boom. Ze begrepen niet waarom de natuurgoden hen wilden straffen, maar het zal wel iets te maken hebben gehad met die slechte rubberoogst.

Telkens nadat de blanken het dorp hadden gestraft, verdwenen ze weer in hun grote boten en stevige huizen. Daarna ging het leven in het dorp opnieuw zijn normale gang. Waarom zou deze ene nacht anders geweest zijn ?
Toen duidelijk was waar het lawaai vandaan was gekomen, lieten de dorpelingen Lukena achter en keerden ze zonder meer terug naar hun eigen hutten. Als de natuurkrachten iemand wilden straffen, dan moesten de dorpelingen zich daar simpelweg buiten houden. Lukena had maar harder moeten werken in de rubberplantage.

Lukena zelf had het echter zo niet begrepen, hij zag zijn huis en slaapplaats in puin liggen. Hij probeerde enkele buren ervan te overtuigen hem bij hen te laten slapen, maar niemand wilde hem in zijn huis nemen. Wat als de natuurgoden hen ook zouden straffen ? Lukena moest boete doen, hij zal zelf wel weten waarom.
Die nacht sliep Lukena buiten in het zand, enkel beschermd door enkele takken van de heilige Kintaki. Wat moest hij anders doen ?
Bij het huis van de eigenaar van de plantage mocht hij niet komen, dat is terrein voor blanken. Alleen het dorpshoofd Kwilu mocht daar komen, en dan alleen op uitnodiging.
Bij Charlie dan, die al een week aangemeerd lag aan de oever van de Congo ? Charlie was altijd vriendelijk tegen Lukena en de andere dorpelingen, maar Charlie was al even blank als de eigenaar van de plantage. Daarenboven leek het erop dat Charlie niet wakker was geworden door het gedonder van de zware boom, en Lukena zou hem nooit wakker durven maken.
Maar Lukena kon niet klagen, het was warm genoeg op de grond.

Toen Lukena de volgende dag zijn ogen opende, was Charlie de eerste persoon die hij zag. Die was blijkbaar van zijn boot gekomen voor zijn dagelijkse ochtendwandeling, en in het dorp was hij blijven staan bij de gigantische boom en de restanten van de hut. De dorpelingen waren al bezig met het halen van het water, enkele mannen waren reeds vertrokken naar de plantage – niemand scheen zich aan de boom te storen. Lag hij in de weg, dan liep men er in een wijde boog omheen, niemand die er ook maar aan dacht er over te klimmen.
Toen Charlie reeds een tijdje sprakeloos had staan kijken, ontdekte hij ineens de slapende figuur onder de boom. Net op het moment dat hij wilde gaan kijken wie het was, opende de figuur zijn ogen.

Lukena glimlachte naar Charlie: altijd vriendelijk blijven, altijd lachen.
‘Is dit deze nacht gebeurd ?’, vroeg Charlie, gebarend naar Kintaki. Lukena knikte, met een glimlach.
‘Waarom slaap je niet in een andere hut ?’
Hier moest Lukena even over nadenken. Hij begreep dat de dorpelingen de val van de boom als een straf beschouwden, maar zelf zag hij het als een teken van de goden. Wat die goden hem nu precies wilden vertellen wist hij nog niet, maar het feit dat de blanke Charlie hem kwam wakker maken betekende wel iets. Charlie had ongetwijfeld te maken met de taak die de natuurgoden Lukena wilden opleggen.
‘Ik moet zelf mijn taak voor de goden volbrengen, zonder hulp van de andere dorpelingen. Tot ik weet wat die taak is, slaap ik alleen.’
‘Zo dicht bij al die wilde dieren ?’
‘De goden beschermen mij.’
Charlie keek even rond zich heen naar de dorpelingen, die zich niets schenen aan te trekken van het lot van Lukena.
‘Kom vanavond maar op de boot slapen, ik heb nog plaats over.’

Lukena twijfelde. Was dit een test ? Misschien was het wel een teken van de goden, misschien kon hij zo ontdekken wat van hem werd verwacht. Hij knikte, beloofde die avond bij Charlie op de boot te overnachten. Uit de mond van Lukena klonk het als een toegeving op een bevel, maar Charlie besteedde daar geen aandacht aan. Hij was wel meer gewoon, na een week aan de oever van de Congo.

Die dag werkte Lukena alleen. De andere dorpelingen leken hem te mijden, hoewel ze zelf niet goed begrepen waarom. Zelfs Bundu, met wie Lukena als jongeling altijd ging jagen, sprak geen woord. Lukena’s huis was door de goden vernield, maar iedereen had het gevoel dat dat niet alles was. Lukena was nog niet genoeg gestraft geweest, en de dorpelingen wilden zo ver mogelijk buiten het vervolg van zijn straf blijven.
Lukena zelf trok er zich niet veel van aan, hij werkte de hele dag hard door.

’s Avonds dacht hij er nog even over na om terug onder de heilige Kintaki te kruipen, maar de gedachte dat Charlie hem zelf had uitgenodigd weerhield hem daarvan. Ervaring had Lukena immers geleerd de blanken altijd te gehoorzamen.

[Vervolg]

donderdag 21 oktober 2010

This ain't over 'till the fat lady sings...

Ik geloof oprecht dat er op de hele wereld geen mens bestaat die zingende dikkerds niet hilarisch vindt - of het zou een obese patiënt zonder zelfrelativering moeten zijn. Daarom een klein eerbetoon.
Nog even vermelden: this is me not being nice, ik weet het... Maar iedereen heeft recht op een ondeugd of twee op zijn tijd.

We beginnen magertjes: een zelfbewuste papzak heeft een eigen versie gemaakt van 'Got Money' van Lil Wayne. Nice one.


De volgende vetterd is iets minder op de hoogte van zijn problemen, getuige het rustige doorvreten tijdens de zangpartij. Maar laat dat nu net voor meer kijk- en luistergenot zorgen. Let vooral op het moment waarop hij de camera ontdekt...


Het laatste filmpje is door de zangeres in kwestie van Youtube verwijderd, maar het was al te laat. Toen ze eindelijk had begrepen waarom haar ingezongen nummers zo populair waren, hadden verscheidene onverlaten haar filmpje al gedownload en opnieuw gepost. We mogen hen dankbaar zijn.
Vestig uw aandacht vooral op... Fuck, let gewoon op álles! Dit is van begin tot einde (van 'Hello, people of Youtube' tot en met 'Bye bye, now') GE-NI-AAL.


Lieve dikkerds: geef de moed niet op. Jullie genieten, wij genieten.
En nu ga ik snel even een oud vrouwtje de straat over helpen, ik krijg een beetje een schuldgevoel.

vrijdag 15 oktober 2010

Onvoorzichtige Fransen, dronken Libiërs

Soms kom je zo van die verhalen tegen die je graag zou onthouden en doorvertellen aan zo veel mogelijk mensen, gewoon omdat ze té cool en/of ongelooflijk zijn om zomaar te laten verdwijnen in de grote Wikipedia-massa - want wat is Wikipedia méér dan een verzamelplaats voor interessante, doch onbelangrijke weetjes? Net daarom wil ik hier af en toe eens een waargebeurd (of toch 'mogelijkgebeurd') verhaaltje neerschrijven, zo heb ik tenminste een soort van overzicht.

Vandaag presenteer ik u het verhaal rond de boom van Ténéré, een boom in het noordoosten van Niger, in het midden van de woestijn. Een extreem hete en droge woestijn, waar boomgroei in principe onmogelijk is, behalve dus voor die ene acacia in het kurkdroge Sahara-zand. Zelfs atheïsten zouden het een wonder kunnen noemen.
Nee, echt, stel het je even voor. In een straal van honderden kilometers is er geen begroeiing, en daar staat dan één boom, één eenzame boom. In het midden van een woestijn. Over dramatiek gesproken...
Eind jaren '30 ontdekte het Franse leger (waar hielden die mannen zich eigenlijk mee bezig?) dat de boom zijn water haalde uit een ondergrondse bron op zo'n 33 meter diepte, en tijdens die ontdekking werd de stam beschadigd door een ongelukkig manoeuvre van een vrachtwagen. Onvoorzichtige sukkels.
Goed, laten we niet te hard van stapel lopen: het is niet echt zéker dat de Fransen de boom hebben beschadigd, want Michel Lesourd, commandant van de Service Central des Affaires Sahariennes, had in 1939 nog een foto gemaakt van de onbeschadigde boom. Het is pas twintig jaar later dat het de Franse etnograaf Henri Lhote opviel dat de vertrouwde Y-vorm verdwenen was, dat de boom op dat moment nog slechts één stam had. Hij gaf de schuld aan een 'onvoorzichtige vrachtwagenbestuurder', maar wie die onverlaat dan wel niet was, is niet geweten. Wat wel vaststond, was dat de meest eenzame boom op de aardbol onherroepelijk verminkt was.

Maar de boom liet zich niet kennen, neen. Zwaar geschonden, maar even statig als voorheen bleef hij een herkenningspunt voor karavanen, vrachtwagens en andere woestijnreizigers, die nu zelfs water konden halen uit de door de Fransen ontdekte ondergrondse bron.

Tot het vermetele jaar 1973, als de boom op een tragische manier aan zijn einde komt door toedoen van een dronken Libiër. Een dronken Libiër, inderdaad, u kon het zelf niet beter verzinnen. De man slaagde er in zijn vrachtwagen door een dorre en lege woestijn te navigeren en toch tegen het enige obstakel in een straal van zo'n 200 kilometer te denderen. Als dat geen mogelijkheid tot wereldfaam biedt, weet ik het ook niet meer, maar de naam van de zatlap is nergens bekend. Maar goed voor hem, denk ik dan.

Op 8 november 1973 werden de restanten per vrachtwagen (de Ténéré-boom kende dit soort voertuig ondertussen al door en door) naar het Nationaal Museum van Niger in Niamey gebracht, waar de overblijfselen nog steeds te bezoeken zijn. Op de plaats waar de boom vroeger stond, heeft één of andere anonieme kunstenaar een lelijk gedrocht van gerecycleerd materiaal neergezet, ter nagedachtenis van de gesneuvelde boom. Nu is dit monument het herkenningspunt voor handelaars, en dat zal het nog lange tijd blijven, want hoe lelijk de constructie er wel niet mag uitzien, ze lijkt stevig genoeg om de aanvallen van eender welke roekeloze Fransman of dronken Libiër met succes af te slaan.
Lang leve de nagedachtenis, dus.

zaterdag 18 september 2010

Zinnen

Ze zijn wég,
verdwenen
nut vergeten
de betekenissen zijn hun doelen moe.

Misschien schijnen ze soms
te zijn
- verscholen, verholen -
op plaatsen uit 't zicht
zien zij ons pijnlijk lachend toe.

Geruild, vervangen,
bedrog veinzerij
spreken ze ons
niet langer meer toe
en het énige, wat enigszins
kan blijven hangen
is die zin, zinloze
ledigheid.

woensdag 1 september 2010

Jong geleerd is oud gedaan, sprak Piet Piraat

Ligt dat nu aan mij?

Wat krijg je in godsnaam bij een Mega Mindy DS Lite Starter Kit?
Een stel Geisha-ballen?
En een kinder-dildo?


Gertje, het gaat de verkeerde kant op met Studio 100.

woensdag 25 augustus 2010

Dringende Oproep

Ja, zelfs in deze tijden van zomerse feesten, vrije tijd en vakantiewerk moet er ook aan onze minder fortuinlijke medemens worden gedacht - hebt ú overigens al gestort voor Pakistan?

In het kader van menslievendheid wil ik hierbij een dringende oproep doen aan de mammie van Julian: kom alsjeblieft terug naar huis! Uw zoontje mist u enorm, en in tijden van crisis en onheil is het voor hem niet makkelijk zonder moeder verder te moeten gaan.

Uw hart moet wel van steen zijn, als zijn oproep u niet beroert.
Speciaal voor u kweelt hij in de hoogste tonen van zijn kunnen en acteert hij de pannen van het dak - of dacht u dat hij het méénde, daar op 2:10 ?
Alsjeblieft, kom terug naar huis...



Mocht u nog twijfelen over de impact van uw vertrek, sta dan even stil bij het in deze tijden toch enigszins verontrustende eindbeeld.
Doe dat uw zoon niet aan!