Posts tonen met het label Verhaal. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Verhaal. Alle posts tonen

donderdag 9 december 2010

Dagscène


Een lichte rookring verhult het schilderij, de figuren herinneren onbeschaamd het verhaal van Casanova, de ontrouwe. Het grote witte bed onder die verleidingsscène is al opgemaakt na de daad, de vulgaire plooien gladgestreken. Niemand die nog kan zien wat in deze hotelkamer is gebeurd, en hijzelf is al klaar om opnieuw te vergeten.
Daar zit hij, terug aangekleed, schoenen aan, hemd nog niet helemaal dichtgeknoopt - alsof hij nog even wil nagenieten. Een brokje as valt van zijn sigaret op het deken, schroeit een minuscuul gaatje in de witte stof. Hij veegt, achteloos, neemt nog een trek.

Zij kleedt zich aan en weet dat hij weer weg zal gaan, tot ze elkaar opnieuw ontmoeten in die ene witte kamer. Straks gaat hij zonder haar terug naar zijn gezin.
Snel, zonder hem tijd te geven te protesteren, trekt ze nog een foto.
"Zodat ik je ook thuis kan herinneren", fluistert ze.

donderdag 11 november 2010

De macht van blanke mannen (laatste deel)

[Vervolgt]

‘Wat gebeurt hier?'
Charlie was intussen van zijn boot gekomen en had het gebeuren benaderd. Kwilu antwoordde met duidelijke stem :
‘Lukena wil de heilige boom Kintaki versnijden, terwijl de boom hem net wilde straffen voor een slechte oogst.’
‘Een slechte oogst krijg je door niet goed te werken.’
‘Wij proberen hard te werken, meneer Charlie, maar de natuurgoden...’
Eén van de dorpelingen maakte zich kwaad, hief een stevige stok in de lucht.
‘Meneer Charlie heeft met de plantage niets te maken, hij kan ons niets doen !’

Er was wat gemorrel in de groep; dit was waar iedereen al een tijd aan had gedacht. Hoewel Charlie duidelijk een blanke man was, had hij maar weinig te maken met de blanken uit het huis van de eigenaar of met de blanken op de boten. Het hele dorp had met ontzag naar Charlie gekeken, zoals ze met ontzag naar de andere blanken hadden gekeken. Maar nu bleek dat Charlie één van hen als gelijke beschouwde, konden zij ook niets anders dan hem als hun gelijke zien. En deze gelijke man trok partij voor Lukena, die de natuurkrachten wilde uitdagen om een kano te maken.
Langzaam maar zeker begon de groep Charlie en Lukena meer en meer te omsingelen.
Charlie had al snel begrepen wat de dorpelingen van plan waren, en zocht naar een uitweg. Het huis van de plantage-eigenaar was onbereikbaar, de dorpelingen stonden in de weg. Op de boot zouden ze veilig zitten, maar de oever lag nog ver weg. Wie weet trouwens hoe ver op de stroom de kleine hoeveelheid steenkool hen maar zou brengen ?
Bundu had zich ondertussen de hele tijd afzijdig gehouden. Aan de ene kant had Lukena de goden wel beledigd, en zo het hele dorp in gevaar gebracht, aan de andere kant bleef hij wel een dorpeling, een buur, een vriend. Bundu ging niet akkoord met de manier waarop de hele groep omging met het verraad van Lukena. Daarenboven leek het erop dat Charlie ook ging aangevallen worden, en dat kon voor iedereen verstrekkende gevolgen hebben. Het is toch niet omdat hij niets met de plantage te maken heeft dat hij als blanke geen macht heeft ?
Als de dorpelingen Charlie zouden aanvallen of zelfs vermoorden, zouden de blanken in het grote huis het hele dorp ongetwijfeld bestraffen. Handen zouden worden afgehakt, nog meer vrouwen en kinderen zouden worden vermoord. Bundu was het zeker: de aanval op Lukena en Charlie moest worden gestopt.

Ondertussen waren Lukena en Charlie al een eind achteruit geweken. Hoe meer de dorpelingen de twee mannen probeerden in te sluiten, hoe verder deze in de richting van de boot stapten. Lukena had het erg moeilijk met zijn knie, en zwaaide af en toe met zijn machete als de dorpbewoners te dicht in zijn buurt kwamen.

Opeens kwam een luid geroep van aan de andere kant van het dorp, aan het grote huis van de plantage-eigenaar. Lukena zag Bundu aan de ingang staan, samen met drie blanke mannen en de eigenaar. De drie mannen hadden elk een geweer vast, waarvan het hele dorp goed wist waarvoor het diende. Lukena begreep niet goed wat Bundu daar deed; daar mochten zij als gewone dorpelingen niet komen.
De eigenaar en de andere drie blanke mannen kwamen naar het dorp gestapt, riepen iets onverstaanbaars. Bundu volgde achteraan.

De dorpelingen begrepen niet waarom de blanken zo kwaad naar hen toe kwamen gestapt, en voelden een zeer diepe angst. De oogst moest niet geteld worden, dus wat kwamen de blanken doen ? Dat zij nu zelfs hun geweren bij zich hadden, betekende niet veel goeds.
Eén voor één lieten de dorpelingen hun stokken, stenen en machetes op de grond vallen. Allen troepten ze bijeen en keken ze vol angst naar de blanken, geen van hen lette nog op Charlie en Lukena. Charlie zag zijn kans, en ondersteunde de hinkende Lukena richting de boot.

Toen ze net aan de boot waren aangekomen, klonk achter hen een schot. Geschrokken draaiden ze hun hoofden naar het dorpsplein, waar ze elke man, elke vrouw, elk kind vol ontzag naar een punt in het midden van de groep zagen kijken. Er volgde nog een schot. En nog een. Enkele dorpelingen vielen levenloos neer in het mulle zand.

Het moet een vreemde aanblik geweest zijn, de stilstaande dorpelingen die één voor één werden neergeschoten. Bundu heeft mij nooit precies kunnen vertellen waarom niemand zich toen heeft verzet, of waarom de eigenaar van de plantage het hele dorp heeft laten uitmoorden. Misschien wonnen ze op de plantage nooit genoeg rubber. Misschien was de eigenaar alle problemen met de dorpelingen beu. Misschien was de eigenaar gewoonweg gek geworden.
Het enige wat Bundu mij nog wist te vertellen was hoe hij bij het eerste schot naar de boot was gevlucht, hoe hij Charlie en Lukena had gevraagd hem mee te nemen, en hoe ze het laatste beetje steenkool in de oven hadden geschept in de hoop ver genoeg te kunnen ontsnappen. Toen er eindelijk beweging kwam in het schoepenrad en de stoomboot van de oever loskwam, stonden enkele hutjes al in brand. Op het moment dat de boot voorbij de eerste rivierbocht was gevaren hing er een enorme rookpluim over de Congo.

Wat er precies gebeurd is met de blanken uit het grote huis aan de plantage, is niet geweten, maar toen Charlie, Lukena en Bundu gevonden werden door de boot die steenkool kwam leveren, was er bij de bemanning niemand die van hun verhaal op keek. Zulke verhalen komen zo veel voor in de Vrijstaat.

Als Charlie niet had gezegd dat hij Lukena en Bundu zou kunnen gebruiken op zijn zoektocht naar de ivoorhandelaar, zouden de twee zijn meegenomen naar een andere rubberplantage. Dan hadden ze hetzelfde misschien opnieuw meegemaakt. Dan had ik Bundu nooit ontmoet. En dan was dit misschien één van de vele nooit aanhoorde verhalen uit de Vrijstaat gebleven.

vrijdag 5 november 2010

De macht van blanke mannen (tweede deel)

[Vervolgt]

Charlie was even vriendelijk als anders en had al een bed gesteld voor Lukena, waar Lukena al snel op ging zitten. Er hing even een stilte in de lucht, terwijl Charlie een conservenblik opende en de inhoud op twee borden goot. Lukena keek vanaf het bed toe en bleef zelfs zitten toen Charlie hem een bord toeschoof over de kist. Pas wanneer Charlie hem vertelde dat hij mocht eten, nam Lukena het bord op zijn schoot.

Zoals ik al had gezegd, weet ik over het hele verhaal alleen wat Bundu mij heeft verteld. Waarover Charlie en Lukena die avond hebben gepraat, wist hij mij alleen te vertellen via Lukena, toen die hem enkele weken later op de boot zijn versie van het verhaal deed. Wat zeker is, is dat Charlie toen met horten en stoten – hij was de taal niet helemaal machtig – aan Lukena vertelde waarom hij al een week aangemeerd lag aan de oever. Hoe hij van de Brusselse handelsonderneming waar hij voor werkte de opdracht had gekregen op zoek te gaan naar die geheimzinnige maar succesvolle ivoorhandelaar. Hoe hij al een week aan het wachten was op steenkool, om verder te trekken. Hoe het hem stoorde steeds te moeten wachten op dingen die niet kwamen, hoe moeilijk het was om te werken.
Lukena at en luisterde. Het moet die avond geweest zijn dat hij overtuigd raakte van wat de natuurgoden van hem verwachtten. Hij moest Charlie helpen de ivoorhandelaar op te sporen, hij moest ervoor zorgen dat Charlie de Congo kon opvaren. Niet dat hij Charlie daarover inlichtte; Lukena ging ervan uit dat het voor Charlie al logisch was dat hij ging geholpen worden. Waarom zou hij anders iemand uit het dorp op zijn boot hebben uitgenodigd ?

De hele volgende dag op de plantage bedacht Lukena wat hij zou kunnen doen, maar pas toen hij ’s avonds de gevallen Kintaki passeerde, kreeg hij een idee. Hij zou voor Charlie een boot maken. Hoe kon hij ook anders ? De boom was op zijn huis gevallen, was lang genoeg voor een grote, stevige kano, en Charlie had hem nu zelfs onderdak gegeven op zijn stoomboot. De tekens waren bijna niet mis te verstaan, de wil van de goden was duidelijk.

Toen Lukena de dag daarop een machete van de plantage haalde, keken de dorpelingen toch even op. Nog steeds durfde niemand hem aan te spreken, hoewel ze zich toch afvroegen wat de blanke plantage-eigenaar ervan zou denken dat Lukena materiaal leende. Het was Bundu die het werk even staakte om te gaan kijken wat Lukena van plan was.

Terug in het dorp aangekomen begon Lukena de eerste takken van de heilige boom af te hakken.
‘Wat ben je aan het doen ?’, riep Bundu met hese stem. ‘Dat is Kintaki !’
Lukena keek even op naar Bundu, maar hakte met een grote glimlach al snel verder.
‘De natuurgoden willen dat ik een boot maak voor meneer Charlie, hij moet de Congo op.’
‘Je werkte niet genoeg op de plantage, de goden hebben je gestraft. Blijf van Kintaki.’
Bundu klonk aarzelend, hij zou uit zichzelf nooit denken dat de goden iets van Lukena zouden verwachten. Het feit dat Lukena dat nu leek te denken deed Bundu twijfelen. Lukena hakte nog enkele takken af.
‘Ik maak een kano voor meneer Charlie.’

Bundu keerde vertwijfeld terug naar de plantage, waar de andere dorpelingen hem vragend stonden op te wachten. Toen Bundu had uitgelegd wat Lukena van plan was, reageerden ze allemaal geschokt. Lukena was door de goden gestraft geweest, en in plaats van zich beter in te zetten op de rubberplantage verminkte hij hun heilige boom. Hoe zouden de natuurkrachten daarop reageren ? Wat Lukena deed was gevaarlijk voor iedereen in het dorp: het hele bos zou als vergelding op hun hutten kunnen vallen. Wie dacht Lukena wel niet dat hij was ?

In hun ogen ging Lukena zelfs met de blanken respectloos om. Geen enkele gewone dorpeling zou het ooit in zijn hoofd hebben gehaald te overnachten bij een blanke man; alleen al in het huis of op de boot binnentreden was ongeoorloofd.
Een tijd geleden was de zoon van de plantage-eigenaar op bezoek bij zijn vader, en toen werd bevolen dat Monana, een jong meisje uit het dorp, in het grote huis van de eigenaar zou worden gebracht. Ze wist niet goed waarom, en was dan ook doodsbang toen de zoon van de eigenaar haar naar het huis leidde. De dorpelingen hebben haar sinds die dag niet meer teruggezien. Alleen Kwilu leek het huis binnen te kunnen gaan – op uitnodiging – en veilig terug te kunnen keren. Maar hij mocht ook nooit vertellen waarover werd gesproken of wat hij had gezien.
Lukena daarentegen was nu wel veilig en wel teruggekeerd vanuit de slaapplaats van één van de blanken. Hoewel niemand het luidop zei, dachten alle dorpelingen het hiermee bewezen dat Charlie een minder goddelijke en dus minder gevaarlijke blanke was dan de mannen van de plantage. Toch betekende dit niet dat Lukena ongestraft bij iemand met een hogere status kon inwonen, op het moment dat de goden hem wilden straffen.

Ondertussen was Lukena al bezig met het afschrapen van de schors, toen hij de menigte vanuit de plantage op hem af zag komen. Hoe dichterbij ze kwamen, hoe meer dorpelingen te zien waren met zware stokken en machetes, wat Lukena toch een beetje angst inboezemde. Hij stopte met zijn werk en rechtte zich. Kwilu, het dorpshoofd, was de eerste die tot hem sprak.
‘Waarom kom je aan onze heilige Kintaki ?’
‘Omdat de goden mij hebben opgedragen een kano te maken voor meneer Charlie.’
‘De blanken hebben ons opgedragen voor meer rubber te zorgen, we moeten werken. Dat is ook wat de goden willen.’
Charlie was intussen op het dek van zijn boot gaan staan, bekeek het gebeuren vanop een afstand. Hij hoorde het rumoer, maar zag alleen Lukena. Het kon niet anders of een aantal dorpelingen – of was het iedereen ? – stond aan de andere kant van de boom. Het was hem niet al te duidelijk waarover de discussie ging, of waar Lukena nu mee bezig was, zittend op de lange boom. Af en toe kon hij een deel van een zin opvangen, maar zijn kennis van de lokale taal was niet goed genoeg om die flarden te begrijpen. Wat hij wel uit de situatie kon opmaken, was dat de dorpelingen zich om één of andere reden kwaad maakten op Lukena. Maar dat was niet iets waar hij zich mee te moeien had. De dorpelingen konden zich soms druk maken over de kleinste onbenulligheden, zo leek het Charlie wel.
Het was pas op het moment dat een stok van één van de dorpelingen het hoofd van Lukena op een haartje na miste dat Charlie de ernst van de onvrede begreep.

Lukena had de stok net kunnen ontwijken, maar viel wel van de boom af. Gelukkig voor hem kwam hij aan de andere kant van de boom neer dan waar de dorpelingen stonden.
Een steen plofte net naast hem in het zand, en aan de andere kant van de enorme boomstam hoorde hij Bundu's pogingen iedereen tot bedaren te brengen. Het maakte geen verschil uit: de menigte gooide stenen over de heilige boom naar Lukena, die op zijn been werd geraakt. Hij schreeuwde het uit van de pijn.
Met de machete geheven richtte hij zich op, klaar om de groep dorpelingen die om de boom heen kwamen gelopen tegen te houden. Hoe konden zij hem zo aanvallen? Zagen zij niet in dat het zijn opdracht was een boot te maken van de heilige Kintaki ? Een volgende steen raakte Lukena op zijn knie. Kermend van pijn haalde hij uit met zijn machete, de menigte deinsde achteruit.

[Vervolg]

maandag 25 oktober 2010

De macht van blanke mannen (eerste deel)

Het was naar men zegt al flink heet geweest die zomer van 1890, toen op een avond de heilige boom Kintaki neerstortte op de hut van Lukena. De man zelf was gelukkig niet geraakt, maar zijn woning lag compleet in puin.
Ik kan alleen maar vertellen wat ik van Bundu heb gehoord, ik was er zelf niet bij, maar het hele dorp zou op een paar tellen buiten hebben gestaan, verbijsterd starend naar het gevaarte.
Hun meest heilige boom lag daar, de bovenkant in het midden van het dorp tussen de brokstukken en het riet, de onderkant net aan de rand van het bos waar hij al die jaren trots had gestaan. Lukena zelf wist ook al niet wat hij kon zeggen. Wat moest de arme man voelen bij deze nieuwe, uitzichtloze situatie ? Het hele dorp had het een beetje moeilijk de gebeurtenis te plaatsen, maar ze hadden geleerd zich geen vragen te stellen bij de wil van de natuur.

Enkele weken terug waren de dorpelingen afgestraft geweest door de blanke mannen, omdat het dorp niet genoeg rubber had geleverd. Waarom zij opeens rubber moesten telen hadden ze nooit begrepen, maar het was duidelijk dat de dorpelingen naar de blanke mannen moesten luisteren, of ze zouden worden getuchtigd. De ene maand werden ze geranseld, de andere maand werd hier en daar een hand afgehakt. De vorige keer werden enkele vrouwen en kinderen vermoord, zodat hun mannen en vaders wat beter zouden presteren. Daar werden geen vragen bij gesteld. De blanken waren goden.
Daarom net dat de dorpelingen zich ook geen vragen stelden bij de gevallen boom. Ze begrepen niet waarom de natuurgoden hen wilden straffen, maar het zal wel iets te maken hebben gehad met die slechte rubberoogst.

Telkens nadat de blanken het dorp hadden gestraft, verdwenen ze weer in hun grote boten en stevige huizen. Daarna ging het leven in het dorp opnieuw zijn normale gang. Waarom zou deze ene nacht anders geweest zijn ?
Toen duidelijk was waar het lawaai vandaan was gekomen, lieten de dorpelingen Lukena achter en keerden ze zonder meer terug naar hun eigen hutten. Als de natuurkrachten iemand wilden straffen, dan moesten de dorpelingen zich daar simpelweg buiten houden. Lukena had maar harder moeten werken in de rubberplantage.

Lukena zelf had het echter zo niet begrepen, hij zag zijn huis en slaapplaats in puin liggen. Hij probeerde enkele buren ervan te overtuigen hem bij hen te laten slapen, maar niemand wilde hem in zijn huis nemen. Wat als de natuurgoden hen ook zouden straffen ? Lukena moest boete doen, hij zal zelf wel weten waarom.
Die nacht sliep Lukena buiten in het zand, enkel beschermd door enkele takken van de heilige Kintaki. Wat moest hij anders doen ?
Bij het huis van de eigenaar van de plantage mocht hij niet komen, dat is terrein voor blanken. Alleen het dorpshoofd Kwilu mocht daar komen, en dan alleen op uitnodiging.
Bij Charlie dan, die al een week aangemeerd lag aan de oever van de Congo ? Charlie was altijd vriendelijk tegen Lukena en de andere dorpelingen, maar Charlie was al even blank als de eigenaar van de plantage. Daarenboven leek het erop dat Charlie niet wakker was geworden door het gedonder van de zware boom, en Lukena zou hem nooit wakker durven maken.
Maar Lukena kon niet klagen, het was warm genoeg op de grond.

Toen Lukena de volgende dag zijn ogen opende, was Charlie de eerste persoon die hij zag. Die was blijkbaar van zijn boot gekomen voor zijn dagelijkse ochtendwandeling, en in het dorp was hij blijven staan bij de gigantische boom en de restanten van de hut. De dorpelingen waren al bezig met het halen van het water, enkele mannen waren reeds vertrokken naar de plantage – niemand scheen zich aan de boom te storen. Lag hij in de weg, dan liep men er in een wijde boog omheen, niemand die er ook maar aan dacht er over te klimmen.
Toen Charlie reeds een tijdje sprakeloos had staan kijken, ontdekte hij ineens de slapende figuur onder de boom. Net op het moment dat hij wilde gaan kijken wie het was, opende de figuur zijn ogen.

Lukena glimlachte naar Charlie: altijd vriendelijk blijven, altijd lachen.
‘Is dit deze nacht gebeurd ?’, vroeg Charlie, gebarend naar Kintaki. Lukena knikte, met een glimlach.
‘Waarom slaap je niet in een andere hut ?’
Hier moest Lukena even over nadenken. Hij begreep dat de dorpelingen de val van de boom als een straf beschouwden, maar zelf zag hij het als een teken van de goden. Wat die goden hem nu precies wilden vertellen wist hij nog niet, maar het feit dat de blanke Charlie hem kwam wakker maken betekende wel iets. Charlie had ongetwijfeld te maken met de taak die de natuurgoden Lukena wilden opleggen.
‘Ik moet zelf mijn taak voor de goden volbrengen, zonder hulp van de andere dorpelingen. Tot ik weet wat die taak is, slaap ik alleen.’
‘Zo dicht bij al die wilde dieren ?’
‘De goden beschermen mij.’
Charlie keek even rond zich heen naar de dorpelingen, die zich niets schenen aan te trekken van het lot van Lukena.
‘Kom vanavond maar op de boot slapen, ik heb nog plaats over.’

Lukena twijfelde. Was dit een test ? Misschien was het wel een teken van de goden, misschien kon hij zo ontdekken wat van hem werd verwacht. Hij knikte, beloofde die avond bij Charlie op de boot te overnachten. Uit de mond van Lukena klonk het als een toegeving op een bevel, maar Charlie besteedde daar geen aandacht aan. Hij was wel meer gewoon, na een week aan de oever van de Congo.

Die dag werkte Lukena alleen. De andere dorpelingen leken hem te mijden, hoewel ze zelf niet goed begrepen waarom. Zelfs Bundu, met wie Lukena als jongeling altijd ging jagen, sprak geen woord. Lukena’s huis was door de goden vernield, maar iedereen had het gevoel dat dat niet alles was. Lukena was nog niet genoeg gestraft geweest, en de dorpelingen wilden zo ver mogelijk buiten het vervolg van zijn straf blijven.
Lukena zelf trok er zich niet veel van aan, hij werkte de hele dag hard door.

’s Avonds dacht hij er nog even over na om terug onder de heilige Kintaki te kruipen, maar de gedachte dat Charlie hem zelf had uitgenodigd weerhield hem daarvan. Ervaring had Lukena immers geleerd de blanken altijd te gehoorzamen.

[Vervolg]

woensdag 27 januari 2010

Adelaide

Aan iedereen die deze woorden leest of hoort,



Ik heb de Joden nooit gehaat. Ik ben nooit van mening geweest dat de Joden uitgeroeid moesten worden, ik heb mij daar zelfs nooit iets van aangetrokken. Maar die constante haat tegenover mij voor wat ik heb gedaan, het voortdurende pesten, de blikken, de woorden, de stenen tegen de ruiten, het is mij genoeg geweest. Ik verdien
niet dezelfde behandeling als al die anderen, ik ben geen Jodenhater. De reden waarom ik dat smerig zwijn heb aangegeven bij de Duitsers, is volledig gegrond en heeft niets met antisemitisme te maken.

Het was zijn schuld, dat mijn vrouw mij verlaten heeft. Hij heeft haar verleid, hij heeft haar wijsgemaakt dat ze ongelukkig was bij mij, terwijl we het eigenlijk zeer goed hadden samen. Ik zag haar graag, en zij mij.
Jullie weten immers allen nog wel heel goed hoe geliefd zij was bij de mannen uit het dorp, en hoe ze voor mij, en alleen voor mij gekozen heeft.

Sommigen onder jullie fluisterden ook hoe ongelukkig mijn Adelaide wel niet was, aangezien ze zo graag kinderen wilde, en ik dat niet wilde toestaan. Wij hebben daar lang over gediscussieerd, maar uiteindelijk heeft ze zich neergelegd bij mijn keuze, wat geliefden nu eenmaal soms moeten doen voor elkander.

Ik weet dat Adelaide mij graag zag, en daarom kwam het zo hard aan toen ik haar afscheidsbriefje las. Ze schreef dat ze niet meer van me hield, dat ze het niet meer uithield bij mij, maar ik weet wel beter. Het is wat jullie, de buurtbewoners, met die Jood voorop, haar hadden wijsgemaakt, en zij geloofde jullie, hoewel ze, als ze er over zou hebben nagedacht, wel heel goed wist hoe goed wij bij elkaar pasten, en hoe goed ik voor haar zorgde.

Als ze wat langer zou hebben stilgestaan bij haar beslissing, als jullie haar kop niet zo zot zouden hebben gemaakt met jullie laster, dan zou ze zich vast wel herinnerd hebben hoe ik, toen zij zich thuis eenzaam voelde als ik overdag uit werken ging, die radio voor haar had gekocht. Of hoe ik elke zondagnamiddag met haar mee ging naar het park, waar ze zo graag wandelde. Op zulke zaken legden jullie geen aandacht, maar die betekenden toch iets voor mij en Adelaide, die maakten toch duidelijk hoeveel ik van haar hield.

Ik heb zo lang gezocht, zo lang op haar gewacht, maar ik kon haar niet vinden. Ik ben er stellig van overtuigd dat, als ze had geweten hoe hard ik haar miste, ze naar mij zou zijn teruggekeerd. Waarschijnlijk durfde ze niet, uit schaamtegevoel omdat ze zo plots verdwenen was. Maar ik zou het haar vergeven hebben, zelfs nu nog, omdat ik haar zo graag zie. Ik hoop dat ze deze brief ooit leest, dat ze deze woorden ooit hoort, en dat ze dan aan mij zal terugdenken als aan een liefhebbende man, die jarenlang voor haar heeft gezorgd, en die haar al haar fouten vergeven heeft.

Want ze heeft een aantal fouten gemaakt. Ik neem het haar niet meer kwalijk, in al haar rechtschapenheid was ze nu eenmaal een beetje goedgelovig, en sommige mensen hebben hiervan misbruik gemaakt. Daarom is het nu tijd geworden dat iedereen te horen krijgt wat er is gebeurd, en wat de redenen zijn voor mijn handelen.

Het waren jullie, de mensen uit onze eigen buurt, die mij zelf kwamen vertellen dat die Jood van de kruidenier overdag soms bij mijn vrouw over de vloer kwam, terwijl ik uit werken was. Dat deed pijn, maar ik vertrouwde mijn vrouw en wist dat ze geen verkeerde dingen ging doen. Toen ik haar daarover aansprak, zwoer ze mij dat hij alleen wat werk in de tuin verrichtte, en dat was voor mij genoeg. Zeker toen ze mij
beloofde hem niet meer binnen te laten als ik weg was.

Toen was het mij duidelijk geworden hoe onbetrouwbaar die Jood wel niet was, iets waar ik vijf jaar later nogmaals met mijn neus op zou worden gedrukt, toen de Grote Oorlog net begonnen was. Ik kan het me heel goed herinneren, het was de nacht van 13 op 14 oktober, en er was een Duits bombardement. In het midden van de nacht zijn we naar hun kelder moeten lopen om te schuilen.

Het hele bombardement lang heb ik hem naar mijn vrouw zien loeren, de hele nacht lang heb ik haar dicht tegen me aan getrokken, maar die schaamteloze vuilak heeft zijn ogen geen moment van mijn vrouw gehouden.
Hoe ik mezelf toen heb vervloekt dat ik haar eerst geen kleren boven haar slaapkleed heb laten aantrekken, voor we bij die verderfelijke mensen gingen schuilen.

Ik weet dat, als Adelaide toen zijn starende blik had opgemerkt, ze nooit meer met die man zou gepraat hebben, wat jullie allemaal ook mogen denken. Ze zou ook geen inkopen meer gedaan hebben in zijn kruidenierswinkel, en het contact met hem zou volledig verbroken geweest zijn. Eigenlijk had ik haar toen moeten verbieden nog met hem te praten, en ik weet niet waarom ik dat niet heb gedaan. Dan zou ze na de oorlog niet van me weggegaan zijn.

Niet zomaar weggegaan, maar met die Jood, die dan ook zijn eigen vrouw verlaten heeft. Jullie weten allemaal hoe lang ik naar mijn Adelaide heb gezocht, jullie weten dus ook hoe hard ik haar miste, hoezeer het me pijn deed. Pijn, niet alleen van het gemis, maar ook van de haat tegenover die ene Jood, die met mijn vrouw was gaan lopen.

Toch veroordelen jullie mij, omdat ik de wraak heb genomen waar ik recht op had. Als jullie een beetje begripvoller waren geweest voor mijn situatie, en als jullie die zielige Joodse hond niet zomaar terug hadden aanvaard toen die ineens, na zes maanden afwezigheid, terug naar huis keerde, dan was het allemaal misschien niet gebeurd. Maar jullie negeerden mijn verdriet, beschuldigden mij er zelfs van Adelaide in de armen van een ander te hebben gejaagd. Maar was mijn overspelige buur niet teruggekeerd omdat het met Adelaide ook niet lukte, vermoedelijk omdat ze begrepen had hoe ze het bij mij veel beter had gehad?

Jullie weigerden hem te verwerpen, jullie bleven met hem praten, bleven naar zijn winkel komen. Ik voelde me door hem én door jullie vernederd, maar het kon jullie niet deren. Mijn haat voor hem groeide, meer nog toen hij beweerde mij niet te kunnen vertellen waar mijn vrouw toen verbleef. Het plezierde mij echter wel de ruzies tussen hem en zijn vrouw te horen, maar na een tijd had zelfs zij het hem blijkbaar al vergeven.

Twintig lange jaren heb ik hem met alle mogelijke manieren proberen wegpesten, maar telkens weer keerde iedereen zich tegen mij. Die twintig jaren waren afschuwelijk, elke dag kroop trager voorbij. Het enige dat me al die tijd heeft rechtgehouden was het succes van mijn fabriek, en de stille hoop dat Adelaide op een dag naar mij terug zou komen.

Als hij zich bij mij zou hebben verontschuldigd voor wat er was gebeurd, zou ik het nooit gedaan hebben.
Waarschijnlijk had ik het ook nooit gedaan als er gewoon iemand naar mij was gekomen om mij te helpen, met mij te praten over hoe ik mij voelde. Maar niemand leek met mijn leed begaan, mijn onbetrouwbare buurman had opnieuw het vertrouwen van de hele buurt gewonnen.

En dat is de reden waarom ik hem jaren later bij de Duitsers heb verraden, omdat niemand zich iets aantrok van hoe ik mij voelde, omdat iedereen hem gewoon terug aanvaardde in onze buurt, terwijl ik mijn Adelaide, die mij zo graag zag, kwijt was. Daarom achtte ik het rechtvaardig hem te laten deporteren. Eventjes heb ik spijt gevoeld voor zijn vrouw, maar wie haar ontrouwe man zomaar weer in huis neemt, verdient ook niet beter.

Toen ik de vijf jaar gevangenisstraf, die ik na de oorlog kreeg, volledig had uitgezeten, bleek echter dat niemand goed begrepen had waarom ik had gedaan wat ik had gedaan. Ze noemden mij een Jodenhater, terwijl ik helemaal niet uit Jodenhaat had gehandeld, maar uit een gevoel van rechtvaardigheid, om wraak te nemen op het onrecht dat mij werd aangedaan. De laatste drie jaar hebben jullie mij naar het einde gedreven, mijn fabriek is failliet gegaan, en ik kreeg, zelfs na de gevangenisstraf, nergens het respect dat ik eigenlijk wel nog altijd verdiende.

Ik hoop met deze brief duidelijk gemaakt te hebben aan iedereen waarom ik tijdens de oorlog zo gehandeld heb, en waarom jullie minachting tegenover mij ongegrond is. Ik hoop dat het nu duidelijk is geworden voor iedereen hoe het uit liefde voor mijn vrouw was, dat ik mijn buurman aangegeven heb. En ik hoop dat Adelaide deze woorden ooit leest of hoort, en dat ze spijt krijgt dat ze nooit bij mij terug is gekomen. Want ik heb rechtvaardig gehandeld, ik heb niets verkeerd gedaan.

Mijn geweten is zuiver, ik kan met een gerust hart deze wereld verlaten.



Vaarwel,
Theo van Hoorsele

donderdag 12 november 2009

Meisjes van veertien

“Omdat het gewoon geen zicht is, lieveke”

Aïe... Dat had u niet moeten doen, mevrouw. Zomaar in het openbaar door je moeder ‘lieveke’ genoemd worden is ‘not done’. Iedereen weet toch wat de publieke schaamte dat zo'n koosnaampje veroorzaakt - hoe gewoontjes die ook moge zijn - teweegbrengt bij een jong meisje, wiens imago zelfs nog belangrijker is dan haar mp3-speler? Deze moeder blijkbaar niet.

De hele tram hield zijn adem in. Al tien haltes aan een stuk waren de passagiers gezamenlijk getuige geweest van een verhitte discussie over kousen. Ongelijke kousen. Een rode aan de linkervoet, een blauwe aan de rechter. En het had lang geduurd, vooraleer het jonge meisje de al even typische als onnodige woorden ‘en waarom niet?’ had geuit, maar iedereen zag ze aankomen. Het was echter, zo dacht men toch op de tram, algemeen geweten dat zo’n vraag bij een puber geen antwoord behoeft, dat een kordaat ‘omdat ik het zeg!’ meer dan genoeg zou zijn. Niet om de desbetreffende jongeling te bedaren, nee, vooral om het twistgesprek niet te laten escaleren.

Toen het antwoord echter kwam, wist iedereen, behalve de ongelukkige moeder in kwestie uiteraard, dat het nu wel degelijk zou uitbarsten. Het was er ook aan te zien. Het arme kind had in haar veertienjarige leven nog nooit zoveel gène gevoeld als nu, en wist dat die enkel te vertalen was in een luidkeelse tirade tegen die vrouw die zich haar moeder noemde, maar niet begreep waarom iemand bewust twee verschillende kousen zou willen aantrekken. Wat het kind er maar niet bij tierde, was het gegeven dat die moeder zich niets aantrok van haar aanzien tegenover een tram vol onbekenden, en dat was voor de jongedame van onuitspreekbaar belang. Die onbekenden, waarvan ze wist waaraan ze nu aan het denken waren. Die onbekenden op de tram waren haar aan het veroordelen, beschouwden haar nu als een klein kind, als ‘mama’s lieveke’, en zeker niet als de volwassen vrouw die ze al flink aan het worden was. De tranen schoten haar in de ogen, maar die moest ze verbijten, of haar stem zou overslaan en haar schroom tegenover deze schare anoniemen zou groter worden dan ze met haar fragiele gevoelens ooit aan zou kunnen. Ze dacht aan alles wat ze in de lessen Nederlands had geleerd en probeerde haar immer uitbreidende woordenschat aan te wenden om niet alleen haar eigen moeder, maar ook alle aanwezigen te verbazen met haar eloquentie.

Het moet gezegd worden, wat uit de mond van het kindvrouwtje kwam, getuigde van een zekere welbespraaktheid, maar het kon de omstaanders niet deren. Die waren eerder in grote mate gestoord door het volume waarop de jongedame haar betoog afstak, welk van zo’n luid niveau was dat zelfs de chauffeur, die aan de andere kant van de tram tijdens het rijden naar de radio probeerde te luisteren, duidelijk kon verstaan hoe elke dag een paar kousen van hetzelfde kleur aandoen niet meer was dan doen wat iedereen ook doet, meegaan met de massa, wat ook wel eens ‘conformisme’ kon worden genoemd. Er kwam een korte pauze in het betoog, en de blinkende sterretjes in de ogen van het kind lieten duidelijk verstaan hoe trots ze wel was op het correcte gebruik van zo’n moeilijk woord. Maar toen ze merkte hoe haar moeder zich eerder voor haar tumultueuze geschetter geneerde dan te luisteren naar de waarheid in de woorden die haar dochter declameerde, besloot het meisje verder te gaan met haar luidruchtige rede. Enkele jongelingen, die op nog geen paar passen van het ruziënde tweetal neerzaten, sloten hun ogen en bidden voor de eerste keer in hun jonge leven - zij meenden immers absoluut niet religieus te zijn -, smekend aan een onbekende god om de moeder het verstand te geven haar dochter vastberaden de mond te snoeren. Deze probeerde daarentegen haar opgroeiende nakomeling te kalmeren door het hele discours te negeren, tot grote ontsteltenis van alle tramreizigers rondom haar, die immers beseften tot wat zo’n aanpak kan uitdraaien bij een verbaal op hol geslagen tiener. Het effect van het negeren was, zoals zelfs de jongelingen met al hun gebrek aan levenservaring hadden verwacht, afschuwelijk. Toen de redevoerende meid het erbarmelijke resultaat van haar roepen zag, meende ze dat met krachtiger stem roepen het enige was dat ze nog kon doen.

De chauffeur, die anders ongetwijfeld een brave man is en zijn passagiers altijd onberispelijk behandelt, terwijl hij naar zijn kleine draagbare radiootje luistert, deed nu iets wat hij anders nooit zou doen. Hij keek verwijtend om naar de brutale krijsende passagier achterin. Het had geen enkel effect, maar meer durfde de arme man niet doen in zijn onbeschermde chauffeursplaats. Een mens kan verwachten dat de chauffeur meer dan eens geconfronteerd is geweest met een vorm van geweld, en zich nu duchtig afzijdig wenst te houden tegenover elke vorm van conflict. De boze blik zou zijn enige poging tot verweer zijn, naast natuurlijk een kleine draai aan de volumeknop van zijn kleine radiotoestel.

Hoewel het het meisje hoegenaamd niet opviel dat het popnummer nu een stukje luider uit de richting van de voorkant van de tram weerklonk, was het de moeder zelf helemaal niet ontgaan. De gêne die ze gevoeld had toen haar eerste dochter haar tirade had afgestoken, groeide nu naarmate de blikken van de medereizigers zich nu niet langer meer vooral op de grond richtten, en het schaamtegevoel bracht een vreemde kwaadheid met zich mee. De vrouw begon lichtjes te trillen, en leek wel helemaal genoeg gehad te hebben met de hormonale uitspatting van haar dochter, die haar voor schut stelde tegenover een hele tram vol onbekenden. Wat zouden die mensen nu wel niet van haar moeten denken, nu ze geen woord kon inbrengen tussen de spraakwaterval van haar dochter. Het gevoel van woede bleef niet onopgemerkt bij de tramreizigers, en een gevoel van hoop doorspoelde het hele toestel. Het zou niet lang meer geduurd hebben voor er iemand de andere passagiers zou hebben opgejut tot het roepen van prikkelende aanmoedigingen naar de moeder, in de hoop haar zover te krijgen een stevig en gevat, doch pedagogisch ongetwijfeld onverantwoord antwoord te geven. Helaas zat er niemand in de tram die zulk een ongewone daad aandurfde.

Een bejaard koppel, neergezeten op de stoelen die het dichtst bij het ruziënde koppel stonden, begon zich ietwat duidelijker te enerveren aan alle drukte. De oude vrouw leunde naar haar afgeleefde eega en fluisterde hem iets in het oor. De man keek de vrouw kort aan met een blik, die enkel door zijn vrouw zonder woorden kon begrepen worden, en beiden hesen zich recht aan de daartoe dienende paal, om dan schuifelend naar de deur te bewegen. Toen de tram stopte en zij uitstapten, leken zij wel gered van de verdere nutteloze en puberale monoloog, als plots de moeder haar dochter hardhandig bij de arm nam en met haar naar buiten stapte. Het bejaarde koppel beende zo snel als mogelijk een zijstraat in. Terwijl de tramdeuren sloten konden de inzittenden de moeder nog schor horen roepen hoe ze het beu was en hoe ze niet begreep dat het kind niet zelf inzag hoe ongepast en misplaatst haar reactie wel niet was geweest. Iedereen voelde wel aan dat het kind in kwestie een stevig antwoord zou teruggeven, maar de tram reed rustig verder naar de volgende halte, en alle inzittenden konden weer opgelucht ademhalen. De chauffeur twijfelde even om de volumeknop van zijn transistorradio opnieuw stiller te draaien, maar hij zag er toch maar vanaf. Het leed ten slotte geen twijfel dat elke passagier nu meer dan ooit genoot van de consonante tonen die de kleine ingebouwde luidsprekertjes met zich meebrachten.