vrijdag 5 november 2010

De macht van blanke mannen (tweede deel)

[Vervolgt]

Charlie was even vriendelijk als anders en had al een bed gesteld voor Lukena, waar Lukena al snel op ging zitten. Er hing even een stilte in de lucht, terwijl Charlie een conservenblik opende en de inhoud op twee borden goot. Lukena keek vanaf het bed toe en bleef zelfs zitten toen Charlie hem een bord toeschoof over de kist. Pas wanneer Charlie hem vertelde dat hij mocht eten, nam Lukena het bord op zijn schoot.

Zoals ik al had gezegd, weet ik over het hele verhaal alleen wat Bundu mij heeft verteld. Waarover Charlie en Lukena die avond hebben gepraat, wist hij mij alleen te vertellen via Lukena, toen die hem enkele weken later op de boot zijn versie van het verhaal deed. Wat zeker is, is dat Charlie toen met horten en stoten – hij was de taal niet helemaal machtig – aan Lukena vertelde waarom hij al een week aangemeerd lag aan de oever. Hoe hij van de Brusselse handelsonderneming waar hij voor werkte de opdracht had gekregen op zoek te gaan naar die geheimzinnige maar succesvolle ivoorhandelaar. Hoe hij al een week aan het wachten was op steenkool, om verder te trekken. Hoe het hem stoorde steeds te moeten wachten op dingen die niet kwamen, hoe moeilijk het was om te werken.
Lukena at en luisterde. Het moet die avond geweest zijn dat hij overtuigd raakte van wat de natuurgoden van hem verwachtten. Hij moest Charlie helpen de ivoorhandelaar op te sporen, hij moest ervoor zorgen dat Charlie de Congo kon opvaren. Niet dat hij Charlie daarover inlichtte; Lukena ging ervan uit dat het voor Charlie al logisch was dat hij ging geholpen worden. Waarom zou hij anders iemand uit het dorp op zijn boot hebben uitgenodigd ?

De hele volgende dag op de plantage bedacht Lukena wat hij zou kunnen doen, maar pas toen hij ’s avonds de gevallen Kintaki passeerde, kreeg hij een idee. Hij zou voor Charlie een boot maken. Hoe kon hij ook anders ? De boom was op zijn huis gevallen, was lang genoeg voor een grote, stevige kano, en Charlie had hem nu zelfs onderdak gegeven op zijn stoomboot. De tekens waren bijna niet mis te verstaan, de wil van de goden was duidelijk.

Toen Lukena de dag daarop een machete van de plantage haalde, keken de dorpelingen toch even op. Nog steeds durfde niemand hem aan te spreken, hoewel ze zich toch afvroegen wat de blanke plantage-eigenaar ervan zou denken dat Lukena materiaal leende. Het was Bundu die het werk even staakte om te gaan kijken wat Lukena van plan was.

Terug in het dorp aangekomen begon Lukena de eerste takken van de heilige boom af te hakken.
‘Wat ben je aan het doen ?’, riep Bundu met hese stem. ‘Dat is Kintaki !’
Lukena keek even op naar Bundu, maar hakte met een grote glimlach al snel verder.
‘De natuurgoden willen dat ik een boot maak voor meneer Charlie, hij moet de Congo op.’
‘Je werkte niet genoeg op de plantage, de goden hebben je gestraft. Blijf van Kintaki.’
Bundu klonk aarzelend, hij zou uit zichzelf nooit denken dat de goden iets van Lukena zouden verwachten. Het feit dat Lukena dat nu leek te denken deed Bundu twijfelen. Lukena hakte nog enkele takken af.
‘Ik maak een kano voor meneer Charlie.’

Bundu keerde vertwijfeld terug naar de plantage, waar de andere dorpelingen hem vragend stonden op te wachten. Toen Bundu had uitgelegd wat Lukena van plan was, reageerden ze allemaal geschokt. Lukena was door de goden gestraft geweest, en in plaats van zich beter in te zetten op de rubberplantage verminkte hij hun heilige boom. Hoe zouden de natuurkrachten daarop reageren ? Wat Lukena deed was gevaarlijk voor iedereen in het dorp: het hele bos zou als vergelding op hun hutten kunnen vallen. Wie dacht Lukena wel niet dat hij was ?

In hun ogen ging Lukena zelfs met de blanken respectloos om. Geen enkele gewone dorpeling zou het ooit in zijn hoofd hebben gehaald te overnachten bij een blanke man; alleen al in het huis of op de boot binnentreden was ongeoorloofd.
Een tijd geleden was de zoon van de plantage-eigenaar op bezoek bij zijn vader, en toen werd bevolen dat Monana, een jong meisje uit het dorp, in het grote huis van de eigenaar zou worden gebracht. Ze wist niet goed waarom, en was dan ook doodsbang toen de zoon van de eigenaar haar naar het huis leidde. De dorpelingen hebben haar sinds die dag niet meer teruggezien. Alleen Kwilu leek het huis binnen te kunnen gaan – op uitnodiging – en veilig terug te kunnen keren. Maar hij mocht ook nooit vertellen waarover werd gesproken of wat hij had gezien.
Lukena daarentegen was nu wel veilig en wel teruggekeerd vanuit de slaapplaats van één van de blanken. Hoewel niemand het luidop zei, dachten alle dorpelingen het hiermee bewezen dat Charlie een minder goddelijke en dus minder gevaarlijke blanke was dan de mannen van de plantage. Toch betekende dit niet dat Lukena ongestraft bij iemand met een hogere status kon inwonen, op het moment dat de goden hem wilden straffen.

Ondertussen was Lukena al bezig met het afschrapen van de schors, toen hij de menigte vanuit de plantage op hem af zag komen. Hoe dichterbij ze kwamen, hoe meer dorpelingen te zien waren met zware stokken en machetes, wat Lukena toch een beetje angst inboezemde. Hij stopte met zijn werk en rechtte zich. Kwilu, het dorpshoofd, was de eerste die tot hem sprak.
‘Waarom kom je aan onze heilige Kintaki ?’
‘Omdat de goden mij hebben opgedragen een kano te maken voor meneer Charlie.’
‘De blanken hebben ons opgedragen voor meer rubber te zorgen, we moeten werken. Dat is ook wat de goden willen.’
Charlie was intussen op het dek van zijn boot gaan staan, bekeek het gebeuren vanop een afstand. Hij hoorde het rumoer, maar zag alleen Lukena. Het kon niet anders of een aantal dorpelingen – of was het iedereen ? – stond aan de andere kant van de boom. Het was hem niet al te duidelijk waarover de discussie ging, of waar Lukena nu mee bezig was, zittend op de lange boom. Af en toe kon hij een deel van een zin opvangen, maar zijn kennis van de lokale taal was niet goed genoeg om die flarden te begrijpen. Wat hij wel uit de situatie kon opmaken, was dat de dorpelingen zich om één of andere reden kwaad maakten op Lukena. Maar dat was niet iets waar hij zich mee te moeien had. De dorpelingen konden zich soms druk maken over de kleinste onbenulligheden, zo leek het Charlie wel.
Het was pas op het moment dat een stok van één van de dorpelingen het hoofd van Lukena op een haartje na miste dat Charlie de ernst van de onvrede begreep.

Lukena had de stok net kunnen ontwijken, maar viel wel van de boom af. Gelukkig voor hem kwam hij aan de andere kant van de boom neer dan waar de dorpelingen stonden.
Een steen plofte net naast hem in het zand, en aan de andere kant van de enorme boomstam hoorde hij Bundu's pogingen iedereen tot bedaren te brengen. Het maakte geen verschil uit: de menigte gooide stenen over de heilige boom naar Lukena, die op zijn been werd geraakt. Hij schreeuwde het uit van de pijn.
Met de machete geheven richtte hij zich op, klaar om de groep dorpelingen die om de boom heen kwamen gelopen tegen te houden. Hoe konden zij hem zo aanvallen? Zagen zij niet in dat het zijn opdracht was een boot te maken van de heilige Kintaki ? Een volgende steen raakte Lukena op zijn knie. Kermend van pijn haalde hij uit met zijn machete, de menigte deinsde achteruit.

[Vervolg]

2 opmerkingen: