donderdag 9 december 2010

Dagscène


Een lichte rookring verhult het schilderij, de figuren herinneren onbeschaamd het verhaal van Casanova, de ontrouwe. Het grote witte bed onder die verleidingsscène is al opgemaakt na de daad, de vulgaire plooien gladgestreken. Niemand die nog kan zien wat in deze hotelkamer is gebeurd, en hijzelf is al klaar om opnieuw te vergeten.
Daar zit hij, terug aangekleed, schoenen aan, hemd nog niet helemaal dichtgeknoopt - alsof hij nog even wil nagenieten. Een brokje as valt van zijn sigaret op het deken, schroeit een minuscuul gaatje in de witte stof. Hij veegt, achteloos, neemt nog een trek.

Zij kleedt zich aan en weet dat hij weer weg zal gaan, tot ze elkaar opnieuw ontmoeten in die ene witte kamer. Straks gaat hij zonder haar terug naar zijn gezin.
Snel, zonder hem tijd te geven te protesteren, trekt ze nog een foto.
"Zodat ik je ook thuis kan herinneren", fluistert ze.

vrijdag 26 november 2010

Ancient Americans

Et voila: typisch Amerika. Waarom moeten ze nog discussiëren over zo'n wanbeslissing? Zoiets zie ik Europeanen niet meer doen: wij leren tenminste van onze fouten.
Enfin, onze fouten... Die van de Oude Grieken, uiteraard.


donderdag 11 november 2010

De macht van blanke mannen (laatste deel)

[Vervolgt]

‘Wat gebeurt hier?'
Charlie was intussen van zijn boot gekomen en had het gebeuren benaderd. Kwilu antwoordde met duidelijke stem :
‘Lukena wil de heilige boom Kintaki versnijden, terwijl de boom hem net wilde straffen voor een slechte oogst.’
‘Een slechte oogst krijg je door niet goed te werken.’
‘Wij proberen hard te werken, meneer Charlie, maar de natuurgoden...’
Eén van de dorpelingen maakte zich kwaad, hief een stevige stok in de lucht.
‘Meneer Charlie heeft met de plantage niets te maken, hij kan ons niets doen !’

Er was wat gemorrel in de groep; dit was waar iedereen al een tijd aan had gedacht. Hoewel Charlie duidelijk een blanke man was, had hij maar weinig te maken met de blanken uit het huis van de eigenaar of met de blanken op de boten. Het hele dorp had met ontzag naar Charlie gekeken, zoals ze met ontzag naar de andere blanken hadden gekeken. Maar nu bleek dat Charlie één van hen als gelijke beschouwde, konden zij ook niets anders dan hem als hun gelijke zien. En deze gelijke man trok partij voor Lukena, die de natuurkrachten wilde uitdagen om een kano te maken.
Langzaam maar zeker begon de groep Charlie en Lukena meer en meer te omsingelen.
Charlie had al snel begrepen wat de dorpelingen van plan waren, en zocht naar een uitweg. Het huis van de plantage-eigenaar was onbereikbaar, de dorpelingen stonden in de weg. Op de boot zouden ze veilig zitten, maar de oever lag nog ver weg. Wie weet trouwens hoe ver op de stroom de kleine hoeveelheid steenkool hen maar zou brengen ?
Bundu had zich ondertussen de hele tijd afzijdig gehouden. Aan de ene kant had Lukena de goden wel beledigd, en zo het hele dorp in gevaar gebracht, aan de andere kant bleef hij wel een dorpeling, een buur, een vriend. Bundu ging niet akkoord met de manier waarop de hele groep omging met het verraad van Lukena. Daarenboven leek het erop dat Charlie ook ging aangevallen worden, en dat kon voor iedereen verstrekkende gevolgen hebben. Het is toch niet omdat hij niets met de plantage te maken heeft dat hij als blanke geen macht heeft ?
Als de dorpelingen Charlie zouden aanvallen of zelfs vermoorden, zouden de blanken in het grote huis het hele dorp ongetwijfeld bestraffen. Handen zouden worden afgehakt, nog meer vrouwen en kinderen zouden worden vermoord. Bundu was het zeker: de aanval op Lukena en Charlie moest worden gestopt.

Ondertussen waren Lukena en Charlie al een eind achteruit geweken. Hoe meer de dorpelingen de twee mannen probeerden in te sluiten, hoe verder deze in de richting van de boot stapten. Lukena had het erg moeilijk met zijn knie, en zwaaide af en toe met zijn machete als de dorpbewoners te dicht in zijn buurt kwamen.

Opeens kwam een luid geroep van aan de andere kant van het dorp, aan het grote huis van de plantage-eigenaar. Lukena zag Bundu aan de ingang staan, samen met drie blanke mannen en de eigenaar. De drie mannen hadden elk een geweer vast, waarvan het hele dorp goed wist waarvoor het diende. Lukena begreep niet goed wat Bundu daar deed; daar mochten zij als gewone dorpelingen niet komen.
De eigenaar en de andere drie blanke mannen kwamen naar het dorp gestapt, riepen iets onverstaanbaars. Bundu volgde achteraan.

De dorpelingen begrepen niet waarom de blanken zo kwaad naar hen toe kwamen gestapt, en voelden een zeer diepe angst. De oogst moest niet geteld worden, dus wat kwamen de blanken doen ? Dat zij nu zelfs hun geweren bij zich hadden, betekende niet veel goeds.
Eén voor één lieten de dorpelingen hun stokken, stenen en machetes op de grond vallen. Allen troepten ze bijeen en keken ze vol angst naar de blanken, geen van hen lette nog op Charlie en Lukena. Charlie zag zijn kans, en ondersteunde de hinkende Lukena richting de boot.

Toen ze net aan de boot waren aangekomen, klonk achter hen een schot. Geschrokken draaiden ze hun hoofden naar het dorpsplein, waar ze elke man, elke vrouw, elk kind vol ontzag naar een punt in het midden van de groep zagen kijken. Er volgde nog een schot. En nog een. Enkele dorpelingen vielen levenloos neer in het mulle zand.

Het moet een vreemde aanblik geweest zijn, de stilstaande dorpelingen die één voor één werden neergeschoten. Bundu heeft mij nooit precies kunnen vertellen waarom niemand zich toen heeft verzet, of waarom de eigenaar van de plantage het hele dorp heeft laten uitmoorden. Misschien wonnen ze op de plantage nooit genoeg rubber. Misschien was de eigenaar alle problemen met de dorpelingen beu. Misschien was de eigenaar gewoonweg gek geworden.
Het enige wat Bundu mij nog wist te vertellen was hoe hij bij het eerste schot naar de boot was gevlucht, hoe hij Charlie en Lukena had gevraagd hem mee te nemen, en hoe ze het laatste beetje steenkool in de oven hadden geschept in de hoop ver genoeg te kunnen ontsnappen. Toen er eindelijk beweging kwam in het schoepenrad en de stoomboot van de oever loskwam, stonden enkele hutjes al in brand. Op het moment dat de boot voorbij de eerste rivierbocht was gevaren hing er een enorme rookpluim over de Congo.

Wat er precies gebeurd is met de blanken uit het grote huis aan de plantage, is niet geweten, maar toen Charlie, Lukena en Bundu gevonden werden door de boot die steenkool kwam leveren, was er bij de bemanning niemand die van hun verhaal op keek. Zulke verhalen komen zo veel voor in de Vrijstaat.

Als Charlie niet had gezegd dat hij Lukena en Bundu zou kunnen gebruiken op zijn zoektocht naar de ivoorhandelaar, zouden de twee zijn meegenomen naar een andere rubberplantage. Dan hadden ze hetzelfde misschien opnieuw meegemaakt. Dan had ik Bundu nooit ontmoet. En dan was dit misschien één van de vele nooit aanhoorde verhalen uit de Vrijstaat gebleven.

vrijdag 5 november 2010

De macht van blanke mannen (tweede deel)

[Vervolgt]

Charlie was even vriendelijk als anders en had al een bed gesteld voor Lukena, waar Lukena al snel op ging zitten. Er hing even een stilte in de lucht, terwijl Charlie een conservenblik opende en de inhoud op twee borden goot. Lukena keek vanaf het bed toe en bleef zelfs zitten toen Charlie hem een bord toeschoof over de kist. Pas wanneer Charlie hem vertelde dat hij mocht eten, nam Lukena het bord op zijn schoot.

Zoals ik al had gezegd, weet ik over het hele verhaal alleen wat Bundu mij heeft verteld. Waarover Charlie en Lukena die avond hebben gepraat, wist hij mij alleen te vertellen via Lukena, toen die hem enkele weken later op de boot zijn versie van het verhaal deed. Wat zeker is, is dat Charlie toen met horten en stoten – hij was de taal niet helemaal machtig – aan Lukena vertelde waarom hij al een week aangemeerd lag aan de oever. Hoe hij van de Brusselse handelsonderneming waar hij voor werkte de opdracht had gekregen op zoek te gaan naar die geheimzinnige maar succesvolle ivoorhandelaar. Hoe hij al een week aan het wachten was op steenkool, om verder te trekken. Hoe het hem stoorde steeds te moeten wachten op dingen die niet kwamen, hoe moeilijk het was om te werken.
Lukena at en luisterde. Het moet die avond geweest zijn dat hij overtuigd raakte van wat de natuurgoden van hem verwachtten. Hij moest Charlie helpen de ivoorhandelaar op te sporen, hij moest ervoor zorgen dat Charlie de Congo kon opvaren. Niet dat hij Charlie daarover inlichtte; Lukena ging ervan uit dat het voor Charlie al logisch was dat hij ging geholpen worden. Waarom zou hij anders iemand uit het dorp op zijn boot hebben uitgenodigd ?

De hele volgende dag op de plantage bedacht Lukena wat hij zou kunnen doen, maar pas toen hij ’s avonds de gevallen Kintaki passeerde, kreeg hij een idee. Hij zou voor Charlie een boot maken. Hoe kon hij ook anders ? De boom was op zijn huis gevallen, was lang genoeg voor een grote, stevige kano, en Charlie had hem nu zelfs onderdak gegeven op zijn stoomboot. De tekens waren bijna niet mis te verstaan, de wil van de goden was duidelijk.

Toen Lukena de dag daarop een machete van de plantage haalde, keken de dorpelingen toch even op. Nog steeds durfde niemand hem aan te spreken, hoewel ze zich toch afvroegen wat de blanke plantage-eigenaar ervan zou denken dat Lukena materiaal leende. Het was Bundu die het werk even staakte om te gaan kijken wat Lukena van plan was.

Terug in het dorp aangekomen begon Lukena de eerste takken van de heilige boom af te hakken.
‘Wat ben je aan het doen ?’, riep Bundu met hese stem. ‘Dat is Kintaki !’
Lukena keek even op naar Bundu, maar hakte met een grote glimlach al snel verder.
‘De natuurgoden willen dat ik een boot maak voor meneer Charlie, hij moet de Congo op.’
‘Je werkte niet genoeg op de plantage, de goden hebben je gestraft. Blijf van Kintaki.’
Bundu klonk aarzelend, hij zou uit zichzelf nooit denken dat de goden iets van Lukena zouden verwachten. Het feit dat Lukena dat nu leek te denken deed Bundu twijfelen. Lukena hakte nog enkele takken af.
‘Ik maak een kano voor meneer Charlie.’

Bundu keerde vertwijfeld terug naar de plantage, waar de andere dorpelingen hem vragend stonden op te wachten. Toen Bundu had uitgelegd wat Lukena van plan was, reageerden ze allemaal geschokt. Lukena was door de goden gestraft geweest, en in plaats van zich beter in te zetten op de rubberplantage verminkte hij hun heilige boom. Hoe zouden de natuurkrachten daarop reageren ? Wat Lukena deed was gevaarlijk voor iedereen in het dorp: het hele bos zou als vergelding op hun hutten kunnen vallen. Wie dacht Lukena wel niet dat hij was ?

In hun ogen ging Lukena zelfs met de blanken respectloos om. Geen enkele gewone dorpeling zou het ooit in zijn hoofd hebben gehaald te overnachten bij een blanke man; alleen al in het huis of op de boot binnentreden was ongeoorloofd.
Een tijd geleden was de zoon van de plantage-eigenaar op bezoek bij zijn vader, en toen werd bevolen dat Monana, een jong meisje uit het dorp, in het grote huis van de eigenaar zou worden gebracht. Ze wist niet goed waarom, en was dan ook doodsbang toen de zoon van de eigenaar haar naar het huis leidde. De dorpelingen hebben haar sinds die dag niet meer teruggezien. Alleen Kwilu leek het huis binnen te kunnen gaan – op uitnodiging – en veilig terug te kunnen keren. Maar hij mocht ook nooit vertellen waarover werd gesproken of wat hij had gezien.
Lukena daarentegen was nu wel veilig en wel teruggekeerd vanuit de slaapplaats van één van de blanken. Hoewel niemand het luidop zei, dachten alle dorpelingen het hiermee bewezen dat Charlie een minder goddelijke en dus minder gevaarlijke blanke was dan de mannen van de plantage. Toch betekende dit niet dat Lukena ongestraft bij iemand met een hogere status kon inwonen, op het moment dat de goden hem wilden straffen.

Ondertussen was Lukena al bezig met het afschrapen van de schors, toen hij de menigte vanuit de plantage op hem af zag komen. Hoe dichterbij ze kwamen, hoe meer dorpelingen te zien waren met zware stokken en machetes, wat Lukena toch een beetje angst inboezemde. Hij stopte met zijn werk en rechtte zich. Kwilu, het dorpshoofd, was de eerste die tot hem sprak.
‘Waarom kom je aan onze heilige Kintaki ?’
‘Omdat de goden mij hebben opgedragen een kano te maken voor meneer Charlie.’
‘De blanken hebben ons opgedragen voor meer rubber te zorgen, we moeten werken. Dat is ook wat de goden willen.’
Charlie was intussen op het dek van zijn boot gaan staan, bekeek het gebeuren vanop een afstand. Hij hoorde het rumoer, maar zag alleen Lukena. Het kon niet anders of een aantal dorpelingen – of was het iedereen ? – stond aan de andere kant van de boom. Het was hem niet al te duidelijk waarover de discussie ging, of waar Lukena nu mee bezig was, zittend op de lange boom. Af en toe kon hij een deel van een zin opvangen, maar zijn kennis van de lokale taal was niet goed genoeg om die flarden te begrijpen. Wat hij wel uit de situatie kon opmaken, was dat de dorpelingen zich om één of andere reden kwaad maakten op Lukena. Maar dat was niet iets waar hij zich mee te moeien had. De dorpelingen konden zich soms druk maken over de kleinste onbenulligheden, zo leek het Charlie wel.
Het was pas op het moment dat een stok van één van de dorpelingen het hoofd van Lukena op een haartje na miste dat Charlie de ernst van de onvrede begreep.

Lukena had de stok net kunnen ontwijken, maar viel wel van de boom af. Gelukkig voor hem kwam hij aan de andere kant van de boom neer dan waar de dorpelingen stonden.
Een steen plofte net naast hem in het zand, en aan de andere kant van de enorme boomstam hoorde hij Bundu's pogingen iedereen tot bedaren te brengen. Het maakte geen verschil uit: de menigte gooide stenen over de heilige boom naar Lukena, die op zijn been werd geraakt. Hij schreeuwde het uit van de pijn.
Met de machete geheven richtte hij zich op, klaar om de groep dorpelingen die om de boom heen kwamen gelopen tegen te houden. Hoe konden zij hem zo aanvallen? Zagen zij niet in dat het zijn opdracht was een boot te maken van de heilige Kintaki ? Een volgende steen raakte Lukena op zijn knie. Kermend van pijn haalde hij uit met zijn machete, de menigte deinsde achteruit.

[Vervolg]

maandag 25 oktober 2010

De macht van blanke mannen (eerste deel)

Het was naar men zegt al flink heet geweest die zomer van 1890, toen op een avond de heilige boom Kintaki neerstortte op de hut van Lukena. De man zelf was gelukkig niet geraakt, maar zijn woning lag compleet in puin.
Ik kan alleen maar vertellen wat ik van Bundu heb gehoord, ik was er zelf niet bij, maar het hele dorp zou op een paar tellen buiten hebben gestaan, verbijsterd starend naar het gevaarte.
Hun meest heilige boom lag daar, de bovenkant in het midden van het dorp tussen de brokstukken en het riet, de onderkant net aan de rand van het bos waar hij al die jaren trots had gestaan. Lukena zelf wist ook al niet wat hij kon zeggen. Wat moest de arme man voelen bij deze nieuwe, uitzichtloze situatie ? Het hele dorp had het een beetje moeilijk de gebeurtenis te plaatsen, maar ze hadden geleerd zich geen vragen te stellen bij de wil van de natuur.

Enkele weken terug waren de dorpelingen afgestraft geweest door de blanke mannen, omdat het dorp niet genoeg rubber had geleverd. Waarom zij opeens rubber moesten telen hadden ze nooit begrepen, maar het was duidelijk dat de dorpelingen naar de blanke mannen moesten luisteren, of ze zouden worden getuchtigd. De ene maand werden ze geranseld, de andere maand werd hier en daar een hand afgehakt. De vorige keer werden enkele vrouwen en kinderen vermoord, zodat hun mannen en vaders wat beter zouden presteren. Daar werden geen vragen bij gesteld. De blanken waren goden.
Daarom net dat de dorpelingen zich ook geen vragen stelden bij de gevallen boom. Ze begrepen niet waarom de natuurgoden hen wilden straffen, maar het zal wel iets te maken hebben gehad met die slechte rubberoogst.

Telkens nadat de blanken het dorp hadden gestraft, verdwenen ze weer in hun grote boten en stevige huizen. Daarna ging het leven in het dorp opnieuw zijn normale gang. Waarom zou deze ene nacht anders geweest zijn ?
Toen duidelijk was waar het lawaai vandaan was gekomen, lieten de dorpelingen Lukena achter en keerden ze zonder meer terug naar hun eigen hutten. Als de natuurkrachten iemand wilden straffen, dan moesten de dorpelingen zich daar simpelweg buiten houden. Lukena had maar harder moeten werken in de rubberplantage.

Lukena zelf had het echter zo niet begrepen, hij zag zijn huis en slaapplaats in puin liggen. Hij probeerde enkele buren ervan te overtuigen hem bij hen te laten slapen, maar niemand wilde hem in zijn huis nemen. Wat als de natuurgoden hen ook zouden straffen ? Lukena moest boete doen, hij zal zelf wel weten waarom.
Die nacht sliep Lukena buiten in het zand, enkel beschermd door enkele takken van de heilige Kintaki. Wat moest hij anders doen ?
Bij het huis van de eigenaar van de plantage mocht hij niet komen, dat is terrein voor blanken. Alleen het dorpshoofd Kwilu mocht daar komen, en dan alleen op uitnodiging.
Bij Charlie dan, die al een week aangemeerd lag aan de oever van de Congo ? Charlie was altijd vriendelijk tegen Lukena en de andere dorpelingen, maar Charlie was al even blank als de eigenaar van de plantage. Daarenboven leek het erop dat Charlie niet wakker was geworden door het gedonder van de zware boom, en Lukena zou hem nooit wakker durven maken.
Maar Lukena kon niet klagen, het was warm genoeg op de grond.

Toen Lukena de volgende dag zijn ogen opende, was Charlie de eerste persoon die hij zag. Die was blijkbaar van zijn boot gekomen voor zijn dagelijkse ochtendwandeling, en in het dorp was hij blijven staan bij de gigantische boom en de restanten van de hut. De dorpelingen waren al bezig met het halen van het water, enkele mannen waren reeds vertrokken naar de plantage – niemand scheen zich aan de boom te storen. Lag hij in de weg, dan liep men er in een wijde boog omheen, niemand die er ook maar aan dacht er over te klimmen.
Toen Charlie reeds een tijdje sprakeloos had staan kijken, ontdekte hij ineens de slapende figuur onder de boom. Net op het moment dat hij wilde gaan kijken wie het was, opende de figuur zijn ogen.

Lukena glimlachte naar Charlie: altijd vriendelijk blijven, altijd lachen.
‘Is dit deze nacht gebeurd ?’, vroeg Charlie, gebarend naar Kintaki. Lukena knikte, met een glimlach.
‘Waarom slaap je niet in een andere hut ?’
Hier moest Lukena even over nadenken. Hij begreep dat de dorpelingen de val van de boom als een straf beschouwden, maar zelf zag hij het als een teken van de goden. Wat die goden hem nu precies wilden vertellen wist hij nog niet, maar het feit dat de blanke Charlie hem kwam wakker maken betekende wel iets. Charlie had ongetwijfeld te maken met de taak die de natuurgoden Lukena wilden opleggen.
‘Ik moet zelf mijn taak voor de goden volbrengen, zonder hulp van de andere dorpelingen. Tot ik weet wat die taak is, slaap ik alleen.’
‘Zo dicht bij al die wilde dieren ?’
‘De goden beschermen mij.’
Charlie keek even rond zich heen naar de dorpelingen, die zich niets schenen aan te trekken van het lot van Lukena.
‘Kom vanavond maar op de boot slapen, ik heb nog plaats over.’

Lukena twijfelde. Was dit een test ? Misschien was het wel een teken van de goden, misschien kon hij zo ontdekken wat van hem werd verwacht. Hij knikte, beloofde die avond bij Charlie op de boot te overnachten. Uit de mond van Lukena klonk het als een toegeving op een bevel, maar Charlie besteedde daar geen aandacht aan. Hij was wel meer gewoon, na een week aan de oever van de Congo.

Die dag werkte Lukena alleen. De andere dorpelingen leken hem te mijden, hoewel ze zelf niet goed begrepen waarom. Zelfs Bundu, met wie Lukena als jongeling altijd ging jagen, sprak geen woord. Lukena’s huis was door de goden vernield, maar iedereen had het gevoel dat dat niet alles was. Lukena was nog niet genoeg gestraft geweest, en de dorpelingen wilden zo ver mogelijk buiten het vervolg van zijn straf blijven.
Lukena zelf trok er zich niet veel van aan, hij werkte de hele dag hard door.

’s Avonds dacht hij er nog even over na om terug onder de heilige Kintaki te kruipen, maar de gedachte dat Charlie hem zelf had uitgenodigd weerhield hem daarvan. Ervaring had Lukena immers geleerd de blanken altijd te gehoorzamen.

[Vervolg]

donderdag 21 oktober 2010

This ain't over 'till the fat lady sings...

Ik geloof oprecht dat er op de hele wereld geen mens bestaat die zingende dikkerds niet hilarisch vindt - of het zou een obese patiënt zonder zelfrelativering moeten zijn. Daarom een klein eerbetoon.
Nog even vermelden: this is me not being nice, ik weet het... Maar iedereen heeft recht op een ondeugd of twee op zijn tijd.

We beginnen magertjes: een zelfbewuste papzak heeft een eigen versie gemaakt van 'Got Money' van Lil Wayne. Nice one.


De volgende vetterd is iets minder op de hoogte van zijn problemen, getuige het rustige doorvreten tijdens de zangpartij. Maar laat dat nu net voor meer kijk- en luistergenot zorgen. Let vooral op het moment waarop hij de camera ontdekt...


Het laatste filmpje is door de zangeres in kwestie van Youtube verwijderd, maar het was al te laat. Toen ze eindelijk had begrepen waarom haar ingezongen nummers zo populair waren, hadden verscheidene onverlaten haar filmpje al gedownload en opnieuw gepost. We mogen hen dankbaar zijn.
Vestig uw aandacht vooral op... Fuck, let gewoon op álles! Dit is van begin tot einde (van 'Hello, people of Youtube' tot en met 'Bye bye, now') GE-NI-AAL.


Lieve dikkerds: geef de moed niet op. Jullie genieten, wij genieten.
En nu ga ik snel even een oud vrouwtje de straat over helpen, ik krijg een beetje een schuldgevoel.

vrijdag 15 oktober 2010

Onvoorzichtige Fransen, dronken Libiërs

Soms kom je zo van die verhalen tegen die je graag zou onthouden en doorvertellen aan zo veel mogelijk mensen, gewoon omdat ze té cool en/of ongelooflijk zijn om zomaar te laten verdwijnen in de grote Wikipedia-massa - want wat is Wikipedia méér dan een verzamelplaats voor interessante, doch onbelangrijke weetjes? Net daarom wil ik hier af en toe eens een waargebeurd (of toch 'mogelijkgebeurd') verhaaltje neerschrijven, zo heb ik tenminste een soort van overzicht.

Vandaag presenteer ik u het verhaal rond de boom van Ténéré, een boom in het noordoosten van Niger, in het midden van de woestijn. Een extreem hete en droge woestijn, waar boomgroei in principe onmogelijk is, behalve dus voor die ene acacia in het kurkdroge Sahara-zand. Zelfs atheïsten zouden het een wonder kunnen noemen.
Nee, echt, stel het je even voor. In een straal van honderden kilometers is er geen begroeiing, en daar staat dan één boom, één eenzame boom. In het midden van een woestijn. Over dramatiek gesproken...
Eind jaren '30 ontdekte het Franse leger (waar hielden die mannen zich eigenlijk mee bezig?) dat de boom zijn water haalde uit een ondergrondse bron op zo'n 33 meter diepte, en tijdens die ontdekking werd de stam beschadigd door een ongelukkig manoeuvre van een vrachtwagen. Onvoorzichtige sukkels.
Goed, laten we niet te hard van stapel lopen: het is niet echt zéker dat de Fransen de boom hebben beschadigd, want Michel Lesourd, commandant van de Service Central des Affaires Sahariennes, had in 1939 nog een foto gemaakt van de onbeschadigde boom. Het is pas twintig jaar later dat het de Franse etnograaf Henri Lhote opviel dat de vertrouwde Y-vorm verdwenen was, dat de boom op dat moment nog slechts één stam had. Hij gaf de schuld aan een 'onvoorzichtige vrachtwagenbestuurder', maar wie die onverlaat dan wel niet was, is niet geweten. Wat wel vaststond, was dat de meest eenzame boom op de aardbol onherroepelijk verminkt was.

Maar de boom liet zich niet kennen, neen. Zwaar geschonden, maar even statig als voorheen bleef hij een herkenningspunt voor karavanen, vrachtwagens en andere woestijnreizigers, die nu zelfs water konden halen uit de door de Fransen ontdekte ondergrondse bron.

Tot het vermetele jaar 1973, als de boom op een tragische manier aan zijn einde komt door toedoen van een dronken Libiër. Een dronken Libiër, inderdaad, u kon het zelf niet beter verzinnen. De man slaagde er in zijn vrachtwagen door een dorre en lege woestijn te navigeren en toch tegen het enige obstakel in een straal van zo'n 200 kilometer te denderen. Als dat geen mogelijkheid tot wereldfaam biedt, weet ik het ook niet meer, maar de naam van de zatlap is nergens bekend. Maar goed voor hem, denk ik dan.

Op 8 november 1973 werden de restanten per vrachtwagen (de Ténéré-boom kende dit soort voertuig ondertussen al door en door) naar het Nationaal Museum van Niger in Niamey gebracht, waar de overblijfselen nog steeds te bezoeken zijn. Op de plaats waar de boom vroeger stond, heeft één of andere anonieme kunstenaar een lelijk gedrocht van gerecycleerd materiaal neergezet, ter nagedachtenis van de gesneuvelde boom. Nu is dit monument het herkenningspunt voor handelaars, en dat zal het nog lange tijd blijven, want hoe lelijk de constructie er wel niet mag uitzien, ze lijkt stevig genoeg om de aanvallen van eender welke roekeloze Fransman of dronken Libiër met succes af te slaan.
Lang leve de nagedachtenis, dus.